De afgelopen week is er in de media veel te doen geweest over een zakelijke overname van mij uit 2012. Het is nu de hoogste tijd om uit te leggen hoe het echt in elkaar zit en waarom deze overname juist is verlopen.

De Koninklijke Vereniging voor Facultatieve Crematie (de vereniging) is in 1874 opgericht om cremeren mogelijk te maken in Nederland. In 1990 heeft de vereniging haar zakelijke activiteiten afgescheiden van de ideële activiteiten en ondergebracht in BV Beheermaatschappij de Facultatieve (beheermij). Van deze ‘beheermij’ ben ik in 1998 voorzitter van de Raad van Bestuur geworden.

In 2012 ontstond binnen de vereniging de wens om het gedeelte waar ik leiding aan gaf te verkopen. De vereniging had namelijk al haar doelen behaald. Cremeren is algemeen geaccepteerd en de vereniging wilde een andere invulling geven aan haar activiteiten. Ze wilden een goede doelenfonds worden. Daar is geld voor nodig.  Dit kon verkregen worden door verkoop van de ‘beheermij’.

Mijn medeleden van de Raad van Bestuur en ik zijn gevraagd of we het bedrijf, als management, over wilden nemen. De vereniging wilde niet dat het bedrijf in stukken opgesplitst zou worden of in buitenlandse handen zou komen. Daarnaast wilde de vereniging de historische band, de naam ‘Facultatieve’, en de verbondenheid tussen hen en het bedrijf zo veel als mogelijk in stand houden.

Bij een Management Buy Out (MBO = koop door de zittende directie van het bedrijf) is er altijd sprake van een ingewikkeld proces, waarbij de verschillende betrokkenen al banden met elkaar hebben en de kopers (immers de directie van de te kopen onderneming) over heel veel informatie beschikken, die een koper van buiten niet direct heeft. Bij een MBO worden de onderhandelingen maar met één partij gevoerd (tussen eigenaar en de directie), zodat er geen “concurrerende biedingen” van andere partijen met elkaar te vergelijken zijn.

Om precies de discussie te voorkomen die afgelopen week speelde in de media is er afgesproken dat de waardebepaling van het bedrijf door externe bureaus vastgesteld zou worden. Daarbij heeft de vereniging (de verkoper) een bureau aangewezen, heeft het management (de koper) een bureau aangewezen, terwijl een derde bureau door beiden werd uitgezocht.

Deze drie waardebepalingen vormden het startpunt voor de onderhandelingen. Het vaststellen van de waarde is een ingewikkeld proces en van veel factoren afhankelijk. In dit geval was sprake van een onderneming met verschillende werkmaatschappijen die in een groot aantal verschillende landen actief zijn. Er was sprake van een economische crisis waarbij de verwachtingen in de verschillende landen (ook in Nederland) niet positief waren. Dit heeft een groot effect op een bedrijf dat wereldwijd actief is.

De waardebepalingen gaan uit van bandbreedtes waarbinnen de waarde zich zou bewegen op dat moment. Die drie waardebepalingen naast elkaar gelegd ontstaat een totale bandbreedte van tussen de 6 en 19 miljoen euro.

Na onderhandelingen tussen verkoper (de vereniging) en koper (het management) zijn wij uitgekomen op een bedrag van 12.5 miljoen euro. Daarnaast werd afgesproken dat het bedrijf voor de vereniging zonder kosten huisvesting, administratie, bureau en media werkzaamheden op zich zou nemen, hetgeen we tot op de dag van vandaag nog steeds doen.

In de berichtgeving wordt heel veel aandacht gegeven aan de Raad van Commissarissen van het bedrijf en de rol binnen de overname. De RvC had in dit geval helemaal geen beslissende stem, aangezien er hier geen sprake is van een beursgenoteerde onderneming of een structuurvennootschap. De overname was (ook statutair) een zaak tussen de verkoper (de vereniging) en de koper (het management).

Het bestuur van de vereniging had voor dit besluit de instemming nodig van de Ledenraad. De Ledenraad telt 5 leden en vormt de Algemene Vergadering van de vereniging.

De Ledenraad heeft na verschillende vergaderingen met het bestuur, op basis van de rapporten van onafhankelijke adviseurs en de stukken over de onderhandelingen, hun eigen mening gevormd en instemming gegeven aan het bestuur om de overeenkomst met het management af te sluiten.

In mijn rol als adviseur van het bestuur van de vereniging (die nu eenmaal al bestond) heb ik mij op het moment dat er besluitvorming aan de orde was binnen de Ledenraad over de overname teruggetrokken. Dit is ook in de notulen te zien.

Om de overname mogelijk te maken brengen de kopers zelf 500.000 euro in. Daarnaast sluiten de kopers (het management) een kredietovereenkomst met een bank ter hoogte van 30.4 miljoen euro waarvoor zij aansprakelijk zijn. De kopers verschaffen  een pandrecht aan de bank op alle aandelen in de beheermij. Het krediet wordt door de bank nadrukkelijk verschaft om de bestaande kredieten bij de beheermij over te nemen en om de koop van de aandelen te financieren. Deze koop is opgenomen in de voorwaarden waaronder het krediet wordt verleend. Het ondernemersrisico van de kopers bedraagt dus (minstens) 30.9 miljoen euro.

Vervolgens wordt in de vorm van een dividend het noodzakelijk bedrag voor de overname beschikbaar gemaakt, zodat de koper het bedrag aan de vereniging kan voldoen. Dit dividend kwam dus nadrukkelijk niet uit bestaande middelen van de beheermij, maar kon slechts plaatsvinden door de nieuw aangegane kredietovereenkomst waarvoor groep als koper verantwoordelijk was.

Er is beweerd dat het bedrag dat naar de vereniging ging uit het bedrijf zelf zou komen en dus een sigaar uit eigen doos zou zijn. Zonder het krediet dat door de kopers werd afgesloten was het bedrag er niet geweest.
Er wordt gesproken over een bedrag van 19 miljoen euro, dat in het jaarverslag is terug te vinden als negatieve goodwill. Dit zou het bewijs zijn dat de betaalde 12.5 miljoen euro voor de aandelen te laag zou zijn. Hier moeten we een verschil maken tussen de boekhoudkundige waarde en de waarde van de aandelen bij een verkoop.  De waardering van een bedrijf wordt niet bepaald door de boekhoudkundige waarde, maar door de te verwachten winsten en kasstromen. Voor de koper is bij een bedrijfsovername namelijk van belang welke winstgevendheid in de toekomst te verwachten is.

De activa waardering op de balans van gebouwen e.d. is ten aanzien van de waardering van de aandelen niet van belang. De winstgevendheid van het bedrijf wordt immers niet behaald door de waarde van de gebouwen, maar door de werkzaamheden die er worden verricht. De waardebepalingen door de externe onafhankelijke adviseurs zijn dan ook gebaseerd op de toekomstige kasstromen.

We zijn nu 5 jaar later. Vandaag weten we veel over hoe de crisis is verlopen. We weten hoe het bedrijf zich heeft ontwikkeld. We weten ook dat ‘de Facultatieve’ een mooie organisatie is met gedreven medewerkers die een positieve ontwikkeling samen met het management mogelijk hebben gemaakt.

De vereniging heeft haar doel om een belangrijk goede doelenfonds te worden kunnen verwezenlijken en daarmee, namens de leden, invulling gegeven aan de ideële doelstelling. Sinds de overname zijn er aan goede doelen flinke bedragen gedoneerd, terwijl het eigen vermogen in stand is gehouden voor de toekomst. Als ANBI erkende organisatie kon en kan de vereniging geen “winstuitkeringen” doen aan individuele leden, maar moeten de geldmiddelen voor algemeen nut worden aangewend.

Blijkt terugkijkend dat de overname voor alle betrokkenen, inclusief het kopende management, een mooi resultaat heeft opgeleverd? Met wat we vandaag weten kunnen we daar volmondig “ja” op zeggen. Er is niemand benadeeld, er is niemand bevoordeeld en er is op een integere wijze opgetreden in een complex proces.

Ik hoop van harte dat deze uitleg u helpt om de berichtgeving in de media te duiden en uw eigen beeld te kunnen vormen van de situatie. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat deze publiciteit vragen en onrust heeft opgeroepen over mijn functioneren als partijvoorzitter van de VVD. Om een einde te maken aan alle twijfel heb ik de Commissie Integriteit gevraagd om op zo kort mogelijke termijn onderzoek te doen.

Henry Keizer
Partijvoorzitter

Rutte: VVD-voorzitter Keizer is zeker een integere man

De integriteitscommissie van de VVD stelt een onderzoek in naar partijvoorzitter Henry Keizer. Premier Mark Rutte zei zaterdag in Brussel dat Keizer voorzitter van de VVD kan blijven zolang het onderzoek duurt. Desgevraagd zei Rutte dat hij Keizer ‘zeker een integere man’ vindt.

Iedere dag rond lunchtijd het belangrijkste nieuws van de ochtend, de mooiste fotografie en het gesprek van de dag? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Aanleiding van het onderzoek is een zakendeal die Keizer in 2012 sloot. Daarover ontstond vorige week ophef nadat het onlineplatform voor onderzoeksjournalistiek Follow The Money op de zaak was gedoken.

Keizer probeerde vrijdag uit te leggen hoe de overeenkomst in elkaar zit en liet ‘s ochtends de beslissing aan zijn partij of die daar onderzoek naar wilde doen. ‘Dit is voor mij nog niet aan de orde’, aldus Keizer vrijdagmorgen. ‘s Middags besloot Keizer de integriteitscommissie van de VVD zelf te vragen te onderzoeken of hij integer gehandeld heeft rondom de deal uit 2012.

‘Vanmorgen heb ik tijdens een persbijeenkomst volledige openheid gegeven’, stelde de partijvoorzitter vrijdagmiddag in een verklaring. ‘Ik ben ervan overtuigd dat de overeenkomst op de juiste manier tot stand is gekomen en dat aan alle regels is voldaan. Ook de verkopende partij is tot op de dag van vandaag tevreden met het resultaat en de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat deze publiciteit vragen en onrust heeft opgeroepen over mijn functioneren als partijvoorzitter van de VVD. Om een einde te maken aan alle twijfel heb ik de Commissie Integriteit gevraagd om op zo kort mogelijke termijn onderzoek te doen.’

Volgens de demissionaire premier heeft Keizer ‘adequaat’ gereageerd op berichten over de zakendeal van Keizer. ‘Hier is sprake van privéactiviteiten. Ze hebben niets met de VVD te maken. Er is ook geen sprake van enige vorm van strafrechtelijke vervolging.’

‘Appel en een ei’

Journalisten bij de ingang van het hoofdkantoor van Facultatieve Media in Den Haag
Journalisten bij de ingang van het hoofdkantoor van Facultatieve Media in Den Haag© ANP

Bij de overname van uitvaartbedrijf De Facultatieve in 2012 is volgens Keizer ‘niemand benadeeld en niemand bevoordeeld’. Hij zou juist ‘zeer integer’ hebben gehandeld en de firma zeker niet voor een ‘appel en een ei’ in handen hebben gekregen. Ja, het is achteraf een goede deal gebleken, maar nee, het was geen ‘prikkie’, zei Keizer vanochtend voor een zaal vol journalisten. Na een week van summiere antwoorden, gaf hij vandaag inzicht in de stukken achter de deal. Alleen de auteurs van het nieuws, twee journalisten van onderzoeksplatform Follow the Money (FTM), waren niet welkom bij het ‘persgesprek’. De journalisten werden geweigerd bij de ingang van het statige pand van de Facultatieve Groep aan de Haagse Van Stolkweg. Andere journalisten maakten er bezwaar tegen, maar Keizer was niet te vermurwen. Hij had afgelopen dinsdag uitleg willen geven aan FTM, maar zag daarvan af omdat de website het artikel nog voor die afspraak publiceerde.

FTM onthulde afgelopen weekeinde dat Keizer in 2012 voor een ogenschijnlijk laag bedrag de commerciële poot van de Koninklijke Vereniging voor Facultatieve Crematie heeft overgenomen. Met enkele zakenpartners betaalde hij 12,5 miljoen euro, terwijl de huisaccountant de waarde op 31,5 miljoen euro taxeerde. Keizer had meerdere petten op bij die transactie. Hij was de adviseur van de verkopende vereniging, de bestuurder van de beheermaatschappij van het te verkopen bedrijf en uiteindelijk de koper. Sinds 2016 is hij ook weer voorzitter van de nagenoeg lege vereniging.

Op de hoogte

De in opspraak geraakte VVD-voorzitter Henry Keizer in het hoofdkantoor van Facultatieve Media, voorafgaand aan een overleg met VVD-bewindslieden
De in opspraak geraakte VVD-voorzitter Henry Keizer in het hoofdkantoor van Facultatieve Media, voorafgaand aan een overleg met VVD-bewindslieden© ANP

Na eerdere weigeringen deze week openbaarde Keizer vrijdag de notulen van de toenmalige ledenraad van de vereniging, waaruit blijkt dat die in elk geval op de hoogte was van de transactie. De zaak is precies tegenovergesteld aan wat FTM beweerde, stelt Keizer. Hij kocht niet een bedrijf dat 19 miljoen euro meer waard was dan hij en zijn compagnons ervoor betaalden. De drie kopers gingen met hun nieuwe bedrijf, Facultatieve Groep BV, een lening aan van 30,4 miljoen euro om de aankoop en de lopende schulden van het bedrijf te kunnen financieren, zei Keizer. Zelf legden ze 500 duizend euro in (waarvan het grootste deel eveneens een lening). ‘Het ondernemersrisico van de kopers bedroeg 30,9 miljoen euro.’

Uit het jaarverslag van 2012 blijkt dat de koop goeddeels was gefinancierd met 12 miljoen euro dividend. Dit was geen ‘sigaar uit eigen doos’, zei Keizer. Het dividend kwam niet uit ‘bestaande middelen van de beheermaatschappij’, maar werd mogelijk door de lening die het nieuwe bedrijf had afgesloten. ‘Zonder het krediet dat door kopers werd afgesloten was het bedrag er niet geweest.’ Keizer is vastbesloten om door te gaan als VVD-voorzitter. Hij is de enige kandidaat voor de volgende termijn. De leden stemmen hierover begin volgende maand.

Lees verder over de zaak-Keizer

Door alle media-aandacht voor de verkoop van crematoriumorganisatie de Facultatieve aan VVD-voorzitter Henry Keizer komt ook de rol van de betrokken accountant van EY onder een vergrootglas te liggen.

Verkoopadviseur, bestuurder én uiteindelijk de koper, alle lijntjes lopen naar Henry Keizer. Hoe is het rijk van Keizer tot stand gekomen?