Boeren produceren veel groene energie. LTO Noord heeft vastgelegd hoe de land- en tuinbouw in Noord-Nederland zo snel mogelijk energieneutraal wil worden.

De boeren in Noord-Nederland staan te trappelen om meer duurzame energie op te wekken. Dat is de boodschap die bestuurders Tanja Beuling en Alma den Hertog van LTO Noord gisteren overbrachten aan de drie noordelijke gedeputeerden voor Landbouw. Ze overhandigden in Assen de provinciebestuurders een document waarin de organisatie schetst hoe de land- en tuinbouw energieneutraal wil worden en zelfs meer energie wil gaan produceren dan de sector zelf nodig heeft.

Beuling stelt dat de land- en tuinbouw van alle sectoren het meest actief is om de overgang naar een duurzaam energiesysteem mogelijk te maken. ,,Bij 42 procent van de duurzaam opgewekte energie is de landbouw betrokken”, zegt zij. Die betrokkenheid is onder meer zichtbaar door de windmolens, vergisters en zonnepanelen bij de boerenbedrijven. ,,We doen ook veel aan energiebesparing en maken bij de bemesting werk van de Kringloopwijzer om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren.”

Rijtje

De regiobestuurders van LTO Noord willen voort op de ingeslagen weg. En daarom hebben ze op een rijtje gezet wat de overheden kunnen doen op de sector daarbij te helpen. ,,Input voor het beleid van province en gemeenten”, zegt Beuling.

Een van de belangrijke wensen betreft echter een beperking. Als het aan de bestuurders ligt, worden er bij voorkeur geen zonneparken meer aangelegd op landbouwgrond. De boerenorganisatie vindt dat pas op landbouwgrond zonnepanelen geplaatst mogen worden als daar absoluut geen andere mogelijkheden voor zijn. ,,Onze leden staan daar een beetje dubbel in”, geeft Beuling toe.

,,Het is voor individuele ondernemers ook heel verleidelijk om met een projectontwikkelaar een contract te sluiten voor de plaatsing van een zonnepark”, zegt Den Hertog. ,,Zeker als je al wat ouder bent en geen opvolger hebt voor je bedrijf. Energieopwekking levert per saldo meer op dan voedselproductie.”

Maar het is niet alleen te betreuren dat er areaal aan de landbouw wordt onttrokken, zeggen de twee, al is dat tijdelijk. Den Hartog: ,,Als je vijftien jaar niets met grond hebt gedaan, duurt het wel een generatie voordat je de bodem weer op het oude peil hebt.” Het is in meer opzichten schadelijk, zegt Beuling. ,,Er komt minder land om mest uit te rijden. En het werkt ook verder door in de sector. Denk aan de loonbedrijven.”

Water en bijvoorbeeld braak liggende industriegrond verdienen daarom de voorkeur voor zonnepanelen. Ze wijzen bovendien op een andere mogelijkheid: op de daken van de noordelijke agrarische bedrijven is ruimte voor in totaal 640 hectare aan zonnepanelen.

Asbestsanering

Om dat te stimuleren, zouden ook plannen voor kleinschalige zonne- en windenergie in aanmerking moeten komen voor een subsidie voor duurzame energie, die nu alleen beschikbaar is voor grote projecten. Ook zou er weer geld moeten komen voor asbestsanering, gekoppeld aan de plaatsing van zonnepanelen.

Beuling: ,,Daarnaast moet er aandacht komen voor experimenten energieopslag bij het bedrijf. Doordat zonne-energie enorme pieken kent, vraagt dat vaak om grote investeringen in het elektriciteistnetwerk. Die zijn niet nodig als de elektriciteit kan worden opgeslagen voor later gebruik.”

Beuling en Den Hertog weten dat de opkomst van duurzame energie behalve steun van de overheid, ook draagvlak onder de bevolking nodig heeft. Omwonenden zijn niet altijd enthoustiast over de komst van windmolens, vergisters en zonnepanelen.

,,Met die windmolens in de Veenkolonieën is het natuurlijk helemaal fout gaan”, zegt Beuling.

Maatwerk

Den Hertog denkt dat toepassing van de zogeheten postcoderoosregeling kan bijdragen aan draagvlak. Die geeft omwonende afnemers van kleine energieproducenten een korting op hun energiebelasting. ,,Je kunt in dorpen ook collectieven voor energieopwekking oprichten”, zegt de regiobestuurder. ,,Belangrijk is dat er een goede discussie wordt gevoerd hoe duurzame energie in het landschap kan worden ingepast. Daarvoor moet de overheid niet te strakke regels hanteren. Er moet voor belanghebbenden ruimte zijn om het op een creatieve manier met elkaar eens te worden, om tot maatwerk te komen.”