Toespraak van minister-president Mark Rutte bij de Bertelsmann Stiftung, Berlijn

Geen woorden, maar daden. De belofte van Europa waarmaken.
Deze toespraak is in het Engels uitgesproken.

Het gesproken woord geldt.

Dames en heren,

Feitelijk had u vandaag een keuze. In Groot Brittannië luisteren naar een toespraak over de vraag: hoe verder zonder Europa. Of in Berlijn naar iemand die uit overtuiging met u wil spreken over de vraag hoe we het beste verder gaan met Europa. Ik ben blij dat u hier bent. En ik dank de Bertelsmann Stiftung voor de gelegenheid om mijn observaties en ideeën over de toekomst van de Europese Unie met u te kunnen delen. Dit met de woorden van Helmut Schmidt indachtig: ‘Wer nicht redet, wird nicht gehört.’

Als ik goed ben geïnformeerd, bevat het nieuwe Duitse regeerakkoord 302 keer de termen EU of Europa. Het is dus een understatement om te zeggen dat de toekomst van het Europese project de gemoederen hier nogal bezig houdt. Maar deze discussie wordt ook buiten Duitsland met nieuw elan en nieuwe energie gevoerd – een paradoxaal gevolg van het Britse besluit om uit de EU te treden. Brexit onderstreept immers dat het lidmaatschap van de EU een bewuste keus is. We realiseren ons meer dan ooit het belang van eensgezindheid van de 27. En het dwingt tot positie kiezen, want als een Frexit, Dexit of Nexit niet aanstaande is – en gelukkig is dat zo – hoe willen we dan wél verder met de EU?

Vier maanden geleden sloten we in Nederland een nieuw regeerakkoord met daarin een stevige en principieel positieve EU-paragraaf. Wij willen inderdaad verder met Europa. En dat is ook logisch, want de Europese Unie, dat zijn wij samen met onze buren, die net als wij geworteld zijn in de principes van de vrije markt en democratie. In de EU respecteren we de rechtstaat, mensenrechten en andere fundamentele vrijheden. In de EU zijn media vrij, vrouwen en mannen gelijk en mag iedereen elke geaardheid hebben en elk geloof aanhangen. De EU is een schil die de welvaart vergroot, die bescherming biedt en een kader vormt om geopolitieke en mondiale ontwikkelingen op te vangen. En ja, de EU is ook ons ‘bread and butter’, de interne markt waarop we een flink deel van ons nationaal inkomen verdienen. Het is de basis van waaruit wij concurreren met China, Silicon Valley en India. Nederland is, kortom, onlosmakelijk met Europa verbonden.

Hoe kijk ik naar de Europese Unie? In één zin: als een waardengemeenschap en samenwerkingsverband van 27 soevereine landen, die elkaar sterker maken op onderwerpen die om een gezamenlijke aanpak vragen en die onderlinge afspraken nakomen.

Wat de Europese Unie voor mij niet is, is een trein die onvermijdelijk voortraast naar een federale eindbestemming. In het debat over Europese samenwerking sluipt altijd weer het element binnen dat we onontkoombaar op weg zijn naar een hoger niveau van integratie, waarbij alleen het tempo nog ter discussie staat. ‘Omdat de burgers van Europa het wel moeten kunnen volgen’, hoor je dan.

Maar, naar mijn vaste overtuiging, is een federaal einddoel als onvermijdelijk historische mars niet hoe het is. En niet hoe het moet zijn in de 21e eeuw. Zelfs als we helemaal teruggaan naar het begin van de EU, naar het nie wieder Krieg, het plus jamais ça, zien we dat die idealistische motivatie vertaald werd in zeer pragmatische samenwerking rond kolen en staal. En dat moet Europa blijven: hooggestemde idealen met grote nuchterheid ingevuld. We moeten dus niet streven naar die ‘ever closer Union’, maar naar een steeds perfectere EU.

De bottom line is dat 27 zelfstandige Europese landen samenwerken, omdat er nu eenmaal problemen zijn die je beter of soms zelfs uitsluitend gezamenlijk kunt aanpakken. We werken samen omdat het onze welvaart vergroot – denk aan de interne markt en de muntunie. Omdat het onze veiligheid verbetert – denk aan de strijd tegen grensoverschrijdende misdaad en terrorisme, denk aan de instabiliteit aan de buitengrenzen. En omdat we alleen samen antwoorden kunnen formuleren op mondiale vraagstukken als klimaatverandering, migratie en de toekomst van de wereldhandel.

In de kern is de oerbelofte van Europa al bijna 70 jaar onveranderd: lidstaten die elkaar naar een hoger niveau brengen van welvaart, veiligheid en stabiliteit. Er staat maar een vraag centraal: wat is er nodig om die oerbelofte van Europa waar te maken en door te geven?

De EU kan zijn basale belofte alleen waarmaken als de lidstaten afzonderlijk sterk zijn en hun eigenheid bewaren. Nergens ter wereld zien we op zo’n relatief beperkt oppervlak zo’n rijke sociaal-culturele diversiteit in herkenbare natiestaten. Die eigenheid moeten we koesteren als onze voedingsbodem voor nieuwe ideeën, innovatie en creativiteit. We zijn per slot van rekening na 1945 niet het meest welvarende, meest sociale en meest democratische continent ter wereld geworden door elkaars zwaktes te compenseren, maar juist door onze krachten te bundelen en elkaar sterker te maken. Het is aan landen zelf om binnen de communautair gestelde kaders die eigen kracht te bewaken en uit te bouwen: financieel, sociaaleconomisch en rechtsstatelijk. Want als we nationaal falen naar het collectieve niveau gaan tillen, creëren we een reus op lemen voeten, met gevaar voor omvallen. Of om het met een pijnlijke metafoor te zeggen: dat het Nederlands elftal ontbreekt op het komende wereldkampioenschap voetbal kan geen reden zijn om te pleiten voor een Europees elftal op het volgende WK. We gaan er als Nederland gewoon zelf zorgen dat we er weer bij zijn in 2022.

Ook daarom moet in de Europese Unie gelden: afspraak is afspraak. Onze samenwerking rust sinds jaar en dag op het Verdrag als onze gemeenschappelijke basis en op de bereidheid compromissen te sluiten vanuit het vertrouwen dat gemaakte afspraken ook worden nagekomen. En dat heeft ons veel gebracht. Maar steeds vaker lijkt het dat lidstaten vinden dat afspraken terzijde kunnen worden gelegd als het nationaal even tegenzit. Alsof Europa een keuzemenu is waaruit naar believen kan worden geplukt – wel de lusten, niet de lasten. Maar Europa is geen keuzemenu. We moeten van elkaar op aan kunnen dat een ‘ja’ ook echt een ‘ja’ is. Hiervoor zijn de communautaire instellingen, de Commissie en het Hof van Justitie in het bijzonder, onmisbaar. Zij bewaken het gelijke speelveld en hebben de soms ondankbare taak om uitvoering van afspraken te controleren en af te dwingen.

Dit raakt meteen aan het draagvlak voor de EU. We moeten niet onderschatten hoe kwetsbaar het sentiment in veel landen is. In ons land, in Duitsland en ook elders. Mensen zien dat de EU vaak meer belooft dan ze waarmaakt. Ik zie dat ook. Afspraken over meer welvaart, veiligheid en stabiliteit worden steeds weer herhaald, herbevestigd en vernieuwd, terwijl de uitvoering soms middelmatig is. En dat werkt ondermijnend op de geloofwaardigheid en het vertrouwen. Maar is juist de EU het niet aan haar stand verplicht om te excelleren? Om consequent meer te leveren dan toegezegd in plaats van andersom? Wat anders mogen mensen van de Europese Unie verwachten dan concrete resultaten? Wat mij betreft zijn dat retorische vragen.

Dames en heren, dit zijn de Nederlandse uitgangspunten voor de toekomst van de EU:

Eén: kom de basisbeloften na: welvaart, veiligheid en stabiliteit. Geen woorden maar daden.

Twee: het begint en eindigt met de lidstaten. Brussel dient de lidstaten, niet andersom.

En drie: afspraak is afspraak. De noodzakelijke compromissen gelden voor ons allemaal helemaal, niet alleen de stukjes die thuis het makkelijkst verkopen. Solidariteit vergt verantwoordelijkheid.

Voor Nederland zijn dit de uitgangspunten bij de aanpak van de grote grensoverschrijdende onderwerpen waarvoor we ons in alle lidstaten geplaatst zien. En de vraag is: wat betekent dit concreet voor de aanpak van migratie en veiligheid in tijden van grote internationale instabiliteit? Voor de aanpak van duurzaamheid in tijden van klimaatverandering? Voor het werken aan economische groei in tijden van wereldwijde concurrentie? En voor een eerlijke arbeidsmarkt in tijden van open grenzen?

Dames en heren, ik preek resultaten, dus mag u ook van mij verwachten dat ik die lever. Ik geef u negen concrete voorbeelden van de mogelijkheden die ik door die bril zie. Negen positieve voorstellen waarmee we morgen kunnen beginnen en die snel resultaten opleveren voor de inwoners van onze landen, van noord naar zuid en van oost naar west, in de steden en op het platteland. Voor meer welvaart. Voor meer veiligheid. Voor stabiliteit. En voor een sterke rechtsstaat.

Voorstel 1: maak de Europese dienstenmarkt echt open. Er zijn nu 5000 beschermde beroepen in de EU. Dat zijn 50 miljoen mensen, 22 procent van alle werkenden. Schaf die beschermde beroepen af. Alleen waar veiligheid, gezondheid en consumentenbescherming aan de orde zijn zouden we nog specifieke en bindende eisen moeten stellen. Notarissen en architecten, om er maar eens twee te noemen, hebben geen nationale bescherming nodig. Maar aan een notaris die in een ander EU-land gaat werken, mag natuurlijk wel een taaleis worden gesteld. En elke kleine ondernemer in Europa moet via het internet elders in de Unie zijn goederen en diensten kunnen verkopen zonder dat administratieve hindernissen hem dit onmogelijk maken. Na de Europese verkiezingen van 2019 is het zaak eindelijk de barrières te lijf gaan die ons ervan weerhouden om van de digitale markt en de dienstenmarkt net zo’n groot succes te maken als van de goederenmarkt.

Natuurlijk, we hebben op de interne markt, al veel bereikt: vrij verkeer van goederen, mensen die relatief gemakkelijk kunnen werken en studeren in het buitenland, sinds kort roaming tegen binnenlands tarief. Maar op de dienstenmarkt en de digitale markt zijn we er nog lang niet. En dat moeten we ons aantrekken. Diensten maken zeventig procent uit van de economische activiteit in de EU. En als we de Commissievoorstellen uitvoeren kunnen we op de digitale markt 410 miljard euro BNP toevoegen.

Het feestje van 25 jaar interne markt, dit jaar, moeten we wat mij betreft dus bescheiden vieren. Want we laten nu nog ruim 1000 miljard euro per jaar liggen, als ik de schatting van het Europees Parlement mag aanhalen. Dat ís de oerbelofte van de EU. Op de interne markt moet het beter. Dus als mensen aan mij vragen wat ik van de interne markt vind zeg ik vrij naar Gandhi altijd: ‘Wat een goed idee. Laten we dat doen.’

We moeten in 2018 de vier interne markt strategieën voor de digitale markt, kapitaal, energie, en goederen en diensten echt afronden. Want afspraak is afspraak. Nog te vaak blijven wetsvoorstellen uit interne markt strategieën hangen op het niveau van de vakraden. Besluiten kunnen niet wachten. Onze economie wordt per nano-seconde digitaler. In het hier en nu. Ik omarm daarom de Leaders Agenda van Donald Tusk. Tijdens de komende Europese Raad van 22 en 23 maart moeten we besluiten nemen over de digitale markt.

Ik zeg hier overigens bij dat ik het eens ben met de waarschuwing van veel van mijn collega’s in de Europese Raad: een level playing field moet niet leiden tot misbruik en oneerlijke concurrentie. Niet binnen de EU en niet van buiten de EU. ‘Deeper and fairer’, zeggen we dan. Of iets duidelijker: gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats. Ik verwelkom dan ook het voorlopige akkoord tussen Raad en Europees Parlement over de detacheringsrichtlijn dat gisteren is bereikt. Dat hebben we nodig om verdere scheefgroei tegen te gaan. Het is niet aan Nederlandse en Duitse loodgieters en metselaars uit te leggen dat hun banen voor een loon onder het minimum via schijnconstructies worden overgenomen door collega’s uit andere landen. Net zoals het niet sociaal rechtvaardig is dat Poolse of Slovaakse loodgieters en metselaars met slechtere arbeidsvoorwaarden genoegen moeten nemen dan hun Duitse of Nederlandse collega’s. Op de toekomstige Europese arbeidsmarkt kan er binnen lidstaten geen oneerlijke concurrentie zijn op arbeidsvoorwaarden. Dat is voorstel 2: Bestaande afspraken moeten worden nagekomen en gehandhaafd, te beginnen bij betere samenwerking tussen inspectiediensten om grensoverschrijdende fraude en misbruik tegen te gaan. Niet nieuw, dat weet ik. Maar belangrijk genoeg om apart te benoemen. En bovendien: een ‘done deal’ is pas ‘done’ als de deal ook is uitgevoerd. Afspraak is afspraak.

De EU is een wereldmacht in de internationale handel. Dit moet zo blijven. Ik verwacht dat we binnenkort definitief ja kunnen zeggen tegen een handelskoord met Japan. Ook de handelsakkoorden met Mexico en de Latijns-Amerikaanse Mercosur-landen staan voor een afronding. Op de iets langere termijn moeten de cruciale akkoorden volgen met Australië en New Zeeland. En natuurlijk blijft het belangrijk om de deur naar de VS open te houden. Het tij is nu niet gunstig maar laten we voor de lange termijn niet vergeten dat een handelsakkoord tussen de EU en de Verenigde Staten een enorme bijdrage kan leveren aan groei en banen aan twee kanten van de Atlantische oceaan. Bovendien zou het de trans-Atlantische relatie nog sterker maken en ook dat is belangrijk.

De fundamenten van ons handelspolitieke systeem staan onder druk. De EU moet, samen met andere grote handelslanden, ook met de VS, oplossingen vinden voor fricties rond geschillenbeslechting en markttoegang van staatsbedrijven. De EU is een trendsetter voor vrije handel op een eerlijke en duurzame en sociaal verantwoorde manier. Handel moet vrij zijn en eerlijk zijn. Daar werken we hard aan. We moeten onszelf beschermen, maar we moeten niet in de val trappen van protectionisme, want een korte termijn voordeel voor de een is vaak een lange termijn nadeel voor veel anderen. Nederland staat pal voor vrije handel op een gelijk speelveld.

Dames en heren, dan de euro. Wat betekent het als we teruggaan naar de oerbelofte van de euro? Wat betekent het voor onze munt als ik zeg: het begint en eindigt in de lidstaten? En wat betekent ‘afspraak is afspraak’ in de eurozone?

Zonder een sterke euro en een stabiele muntunie is elk gesprek over de toekomst van Europa een bijna theoretische exercitie. Waar ik voor pleit, is dat we teruggaan naar de basisbelofte van de euro. Naar de belofte dat een gemeenschappelijke munt ons allemaal meer welvaart moet brengen en niet een herverdeling van de bestaande welvaart. Want dat is wat er per saldo gebeurt als we blijven toestaan dat sommige landen langdurig een hoog tekort hebben, een hoge schuld opbouwen en hun economieën niet moderniseren. Dan eindigt de muntunie in een transferunie en dat is niet de manier om de euro sterker te maken. Laat staan om het draagvlak te versterken. Ik nodig iedereen uit dat in Nederland of Duitsland uit te komen leggen. Ik zie wél de noodzaak om tot aanzienlijke risicoreductie te komen via de Bankenunie, voordat we kunnen praten over een Europees Deposito Garantiestelsel. En ik vind ook dat de Europese begroting veel meer zou kunnen doen om de hervormingen in de Eurozone te stimuleren. Ik kom op dat laatste terug als ik straks kom te spreken over de Meerjarenbegroting.

We zijn de afgelopen jaren door het oog van de naald gekropen. Ik was er zelf bij in die spannende Griekse zomer van 2011 en het was tijdens al die doorwaakte nachten een paar keer op het randje. Zeker toen ook andere landen in de problemen kwamen. Feit is dat de landen die tijdens de crisis moeilijke maatregelen hebben genomen, landen die hervormingen hebben doorgevoerd om te voldoen aan de afspraken uit het Stabiliteits- en Groeipact, nu de beste cijfers laten zien. Dat geldt gelukkig ook voor landen als Spanje, Portugal en Ierland, die onder het regime van de Trojka vielen. Ik neem daar mijn hoed voor af. Uit ervaring weet ik namelijk dat groeivermogen creëren via hervormingen een pijnlijk proces is, maar het werpt wel vruchten af. En ik spreek graag mijn steun uit aan president Macron, die stevige maatregelen op de arbeidsmarkt en in de pensioenen niet uit de weg gaat. Dat is niet alleen in het belang van Frankrijk, maar van ons allemaal.

De realiteit is: we komen uit een periode waarin niet-voldoen aan de afspraken uit het Stabiliteits- en Groeipact de norm was geworden en we moeten terug in het gareel. Laten we onszelf niets wijsmaken. Als nationale buffers niet werken, werkt een Europese buffer ook niet. Terug dus naar de afspraak dat landen in de eurozone hun eigen begroting en staatsschuld op orde brengen en houden, en zo zorgen voor hun eigen schokabsorptiefonds op nationaal niveau om een plotselinge crisis op te vangen. Mijn overtuiging is dat we, figuurlijk gesproken, 19 nationale schokabsorptiefondsen in de eurozone nodig hebben. Ik hoef daar geen voorstel voor te doen, want deze afspraak hebben we al lang gemaakt. Laten we die dan ook allemaal gestand doen. De koek wordt niet groter door centraal gerunde noodfondsen en de geldpers, maar door structurele hervormingen en een gezonde begroting.

Als ik het voorbeeld van mijn eigen land mag gebruiken: ook wij hebben in de jaren 2008 en daarna noodgedwongen een hoger begrotingstekort gehad dan de toegestane 3 procent. Maar door streng te hervormen en te bezuinigen schrijven we voor het tweede jaar op rij zwarte cijfers. Het begrotingstekort is nu een overschot en de staatsschuld is inmiddels weer ruim lager dan het plafond van 60 procent. Dat betekent dat Nederland, wanneer zich een soortgelijke schok zou voordoen als in 2008, zo nodig grote bedragen kan lenen om noodmaatregelen te nemen.

Iedereen houdt zijn eigen huis op orde. En als het echt niet anders kan, helpen goede buren elkaar. Maar dat is de volgorde. Europese fondsen zijn een laatste uitweg, geen eerste hulp. Mijn voorstel, nummer 3, is om hiervoor het Europees Stabiliteitsmechanisme om te vormen tot een intergouvernementeel Europees Monetair Fonds, het EMF, waarbij de huidige rol van de Commissie, Europese Centrale Bank en Europees Stabiliteitsmechanisme bij steunprogramma’s onder één dak worden gebracht. Niet als vorm van verdergaande risicodeling, niet als vorm van solidariteit die één kant op gaat, maar als last resort. Net zoals het ESM nu, dus met behoud van de eis van unanieme besluitvorming.

Voor Nederland gaat het over één instituut dat onafhankelijk steunprogramma’s uitonderhandelt, financiert en ook monitort. En het zou goed zijn als het EMF in de toekomst ook onafhankelijk economische analyses gaat maken van alle eurolanden. Want het is mooi om een noodvoorziening te hebben, maar een waarschuwingssysteem is nog beter.

Het EMF moet dus een instelling zijn van de lidstaten en niet van de Europese Commissie. De Commissie vervult in het Stabiliteits- en Groeipact immers een veelheid aan rollen: ze analyseert, doet voorstellen voor wetgeving, is controleur en initiator van sancties. Het is duidelijk dat de geloofwaardigheid van de Europese Commissie als hoeder van de euro staat of valt met de rigoureuze onpartijdigheid waarmee zij de regels toepast en handhaaft. Dat vraagt om een zo zuiver mogelijke scheiding van rollen – checks and balances – en geen eigen politieke afweging. Dit is ook precies de reden waarom ik tegen een steeds politiekere Commissie ben. De Europese Commissie dient de lidstaten, niet andersom, weet u nog.

Voor Nederland geldt als harde voorwaarde dat steunprogramma’s voor landen met een onhoudbare schuld er alleen kunnen komen als houders van staatsobligaties via een herstructurering eerst zelf meebetalen aan de redding. Het toekomstige EMF moet aan de hand van een schuldhoudbaarheidsanalyse vaststellen of een schuld houdbaar is. Zo niet, dan is eerst een herstructurering van uitstaande schuld, inclusief obligaties een voorwaarde voor een lening uit het EMF. Dat is voorstel 4: Nederland pleit voor een Sovereign Debt Restructuring Mechanism. Wie, tegen gunstige voorwaarden, investeert in landen met een onhoudbare begroting en onverstandig economisch beleid, neemt immers een welbewust risico. Het zou unfair zijn als belastingbetalers uit andere landen daarvoor op moeten draaien als het even tegenzit bij private partijen.

Dames en heren,

Wat ik ook wil is dat de EU méér gaat doen op het gebied van veiligheid, stabiliteit, migratie en klimaatbeleid.

Omdat het moet. Omdat de noodzaak zich opdringt. Het lijdt geen enkele twijfel dat een effectief gemeenschappelijk Europees buitenlands en veiligheidsbeleid en een gemeenschappelijk asielbeleid dringend zijn. Die noodzaak dringt zich de laatste jaren vanzelf op. Het is onrustig aan de buitengrenzen van Europa, op de Krim en in Oost-Oekraïne, in Turkije, het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Er is politieke onrust en gewapend conflict met dreigend terrorisme en ongecontroleerde migratie als gevolg. De relatie met Rusland is sterk verslechterd, die met de Verenigde Staten niet meer vanzelfsprekend, en die met China aan snelle veranderingen onderhevig. Het is volstrekt duidelijk dat geen enkele lidstaat deze ontwikkelingen alleen het hoofd kan bieden. Onveiligheid en instabiliteit zijn veelkoppige monsters. Onze eensgezindheid is het beste wapen hiertegen.

Ik ben positief over de afspraken die we met elkaar gemaakt hebben over de interne en externe veiligheid. De samenwerking tussen politie, justitie, immigratiediensten en grensbewaking wordt steeds intensiever. Dit gaat nu echt veel beter.

Op militair gebied is en blijft de NAVO onze beste garantie op vrede en veiligheid. Maar dat wil niet zeggen dat de EU het zich kan veroorloven niets te doen. We zetten goede stappen, bijvoorbeeld met de oprichting van een Europees Defensiefonds en de Permanent Gestructureerde Samenwerking – PESCO. Nederland wil hier veel aan bijdragen. PESCO is een goed voorbeeld van de meerwaarde van concrete samenwerking tussen lidstaten. Geen Europees leger, maar wel samen inkopen, militaire behoeften onderling afstemmen en makkelijker troepen verplaatsen. Het begint en eindigt met lidstaten, zei ik eerder al.

Laat ik op het gebied van militaire mobiliteit ook een concreet voorstel doen, nummer 5. Om te beginnen wil Nederland dat alle landen zo snel mogelijk toestemming verlenen aan militair transport om de landsgrenzen te passeren. Minder ‘red tape’ dus, minder overbodige bureaucratische rompslomp. We moeten ook met elkaar afspreken om een aantal snelwegen, bruggen en viaducten geschikt te maken voor militair transport. Dit versnelt het reactievermogen en versterkt de militaire slagkracht van de EU. Nederland streeft naar een ‘mobility pledge’ die in NAVO en EU-verband wordt gedaan. EU, NAVO en de afzonderlijke lidstaten en bondgenoten moeten zich hiervoor blijvend inzetten.

Internationale stabiliteit, interne veiligheid en migratie zijn communicerende vaten. Ons deel van de wereld heeft nu eenmaal een enorme aantrekkingskracht. In 2015 was de situatie uiterst penibel. We zagen mensen in wankele bootjes die met hulp van mensensmokkelaars in groten getale de oversteek waagden van Turkije naar de Griekse eilanden. We zagen beelden van verdrinkingen. Van mensenmassa’s die zich een weg baanden door Europa. Van tijdelijke, soms geïmproviseerde voorzieningen om mensen basale opvang te kunnen bieden. We hebben in 2016 onder hoogspanning een overeenkomst weten te sluiten met Turkije. Daar zagen we Europa op zijn effectiefst. We hebben meer van dit soort overeenkomsten met derde landen nodig. We moeten ook de mogelijkheden voor opvang in de regio vergroten. De EU kan hier financiële en politieke steun aan geven.

We moeten we op alle fronten, langs alle delen van de migratieroute, zorgen voor een sluitende aanpak in de strijd tegen irreguliere migratie, om vergelijkbare noodsituaties in de toekomst te voorkomen. Wat betekent dat in de praktijk? Allereerst: voorkomen is beter dan genezen. Nederland staat voor een brede aanpak. We moeten méér doen om de grondoorzaken van migratie – armoede, geweld, klimaatverandering – weg te nemen, zodat mensen weer toekomst zien in hun eigen land. Daarom moet ontwikkelingssamenwerking meer dan nu worden gericht op het scheppen van betere perspectieven voor mensen. Ook kunnen Europese landen meer doen om veiligheid, stabiliteit en beter grensbeheer te bevorderen. Frankrijk geeft een goed voorbeeld met het G5 Sahel-initiatief, dat Afrikaanse landen helpt hun grensbeheer te verbeteren. Nederland draagt hier aan bij. We moeten ook méér doen om de opvang in de regio te verbeteren.

Het beheer van de Europese buitengrenzen blijft cruciaal. Daarom is het belangrijk dat de lidstaten samen met Frontex de gereedschapskist van de vernieuwde Europese Grens- en Kustwachtverordening ten volle benutten. We moeten solidair zijn met lidstaten als Italië en Griekenland in de eerste opvang van vluchtelingen. En we moeten vooral zorgen dat we als EU zijn voorbereid op een nieuwe crisis. De ervaringen van 2015 en 2016 leren wat er gebeurt als overheden niet langer ‘in control’ zijn.

Concreet: voorstel 6. We moeten het dringend eens worden over een nieuw Gemeenschappelijk Europees Asiel Stelsel. Dat moet gericht zijn op een betere verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten als de instroom weer fors toeneemt, inclusief een snelle terugkeer van migranten die niet voor asiel in aanmerking komen en een herverdelingsmechanisme. En ik zeg u eerlijk: over dat laatste punt maak ik me zorgen. De herverdeling van vluchtelingen over Europa blijft een moeizaam punt, omdat niet alle landen bereid zijn hun deel te dragen. Tegen die landen zeg ik: ik begrijp uw zorgen, maar solidariteit is geen eenrichtingsweg. Bovendien: naarmate de ‘voordeur’, de buitengrens, steeds meer onder controle komt, vervalt ook een belangrijk argument van landen die niet mee willen werken aan herverdeling van vluchtelingen. Gecontroleerde buitengrenzen voorkomen ongecontroleerde instroom en onbeheersbare aantallen.

Op klimaatgebied komt Nederland met vergaande voorstellen. Simpelweg omdat het ook onontkoombaar is. De huidige Europese doelstelling van 40 procent CO2-reductie in 2030 ten opzichte 1990 dateert van voor het klimaatakkoord van Parijs. Daar is afgesproken dat de aarde maximaal twee graden mag opwarmen en dat we streven naar anderhalve graad. Die afspraak vraagt om een update, om een hogere Europese ambitie. 40 procent is te weinig om die 2 graden te bereiken, laat staan anderhalve graad. De lat moet hoger. Daarom Voorstel 7: we spreken met elkaar voor 2030 een CO2-reductie af van 55 procent, waarmee we onze handtekening onder Parijs wél waarmaken. Met 55% als gezamenlijke EU-bijdrage aan de mondiale ambitie doen we ons deel om die anderhalve graad in beeld te brengen. En laten we niet wachten. Dit kan de huidige Commissie nog voorbereiden. Wat mij betreft geeft de Europese Raad in juni deze opdracht.

En laten we die doelstelling ook niet als een pure last ervaren. Zo’n aangescherpte ambitie helpt ons ook te innoveren en de energiezuinige, duurzame en circulaire economie dichterbij te brengen. Mijn stelling is dat elke investering in het klimaat ook een investering is in de kracht van de Europese economie. Dat is misschien een verhaal van de lange adem, maar we gaan hoe dan ook afscheid nemen van onze fossiele verslaving. En vergis u niet: de meesten van ons gaan dat nog meemaken. Ook daarin heeft het toekomstige Europa een taak en een opdracht.

Dan dames en heren, het geld.

Vorige week hebben we in de ER een eerste ronde gesproken over de nieuwe Meerjarenbegroting. Ik heb daar de Nederlandse inzet toegelicht. Hoe gaan we de EU-begroting inzetten voor de nieuwe prioriteiten op veiligheid, stabiliteit, welvaart, én klimaatbeleid? En dat vat ik maar meteen in voorstel 8: accepteer dat de Britten eruit gaan en de begroting kleiner wordt en moderniseer door binnen de bestaande fondsen geld vrij te maken voor de uitdagingen van morgen.

Nederland is een rijk land en in dat opzicht is het logisch dat we een netto betaler zijn. Het is niet altijd makkelijk, maar ook in het Nederlands maatschappelijk debat sta ik voor onze financiële bijdrage aan de Europese Unie. Want, nogmaals, 17 miljoen Nederlanders krijgen er welvaart en veiligheid voor terug, de oerbelofte.

Maar ik wil heel duidelijk zijn. Mijn doel voor de meerjarenbegroting is: geen hogere afdrachten, maar beter resultaat binnen een kleinere begroting. Nederland wil dat de EU deze kans grijpt om de oerbelofte van meerwaarde door samenwerking waar te maken. De 27 lidstaten die samen verder gaan kunnen het Brexit-gat niet zomaar vullen. En we kunnen ook niet de opgaven van de 21e eeuw aangaan met een begroting die een oude werkelijkheid van tientallen jaren geleden reflecteert. We hebben onze mond vol over nieuwe prioriteiten voor de EU: duurzaamheid, klimaat, veiligheid, migratie, innovatie. Het is onvermijdelijk dat financiering van nieuwe prioriteiten de lopende programma’s en subsidies niet ongemoeid kan laten. Maar laten we ook reëel blijven: 70 procent van de uitgaven van de Unie gaat naar landbouw en structuurfondsen. Een onsje minder op deze onderdelen biedt ruimte voor onze nieuwe prioriteiten. We moeten scherpe keuzes maken en boter bij de vis leveren.

Bij een redelijke bijdrage aan de Unie kan ook een korting horen. Ik hoor de laatste tijd vaak dat, nu de Britten de Unie verlaten, er een einde moet komen aan het systeem van de kortingen. Immers de Britten hadden ‘the mother of all rebates’, zo luidt dan de redenering. Daar wil ik tegenin brengen: het systeem van afdrachten en inkomsten moet door alle lidstaten als eerlijk worden ervaren. Dat betekent dat landen met een vergelijkbaar welvaartsniveau een vergelijkbare netto afdracht betalen. Niemand moet in een extreme afdrachtspositie geraken door de afspraken die wij maken. Of de Britten nu in of uit de Unie zijn, dit principe blijft gelden.

Ook in het geval van de begroting mag de EU geen keuzemenu te zijn. Opwaartse convergentie, één van de hoofddoelstellingen van de EU-begroting, moet worden gestimuleerd door EU-fondsen sterker te verbinden aan het doorvoeren van structurele hervormingen. Er moeten wat mij betreft bovendien voorwaarden komen die garanderen dat solidariteit binnen de EU twee kanten opwerkt. Mijn voorstel 9 gaat hierover: koppel de EU-begroting aan het stimuleren van lidstaten om hun economieën te hervormen en moderniseren zoals afgesproken. Ik verzet me helemaal niet tegen het idee dat rijkere lidstaten de armere een steun in de rug geven. Maar dat moet dan wel structurele economische groei opleveren. Dat kan door in de EU-begroting een mechanisme in te bouwen dat steun uit de structuur- en cohesiefondsen koppelt aan de mate waarin landen werk maken van die hervormingen. We kunnen dat afmeten aan de jaarlijkse rapportage door de Europese Commissie over de zogeheten landenspecifieke aanbevelingen. Hiervoor is geen apart eurozone-budget nodig, want we hebben al een EU-begroting. Daar heeft Jean-Claude Juncker helemaal gelijk in.

Het concept van conditionaliteit is overigens niet nieuw. We spraken er vorige week over in Brussel. U begrijpt, ik ben er ook in algemene zin groot voorstander van. Want: de oerbelofte nakomen, het begint en eindigt met de lidstaten, en afspraak is afspraak. Mijn voorstel richt zich op economische hervorming. Maar ik hoor ook suggesties voor koppeling met de aanpak van de migratieproblematiek en de naleving van de beginselen van de rechtsstaat.

En dat is niet voor niets. Zij die zeggen dat de rechtstaat een interne aangelegenheid is van de lidstaten en dat de EU zich alleen met de interne markt bezig moet houden, hebben het mis. De interne markt kan alleen bestaan en een succes zijn als de rechtstaat in alle landen sterk is. Als bedrijven en investeerders weten dat hun geld veilig is. En als zij weten dat een potentieel conflict voor een onafhankelijke rechter gebracht kan worden, zonder inmenging van de zittende regering. Wie de rechtsstaat uitholt, holt de interne markt uit. En wie de interne markt uitholt, holt de Europese Unie uit. Hier geldt wel héél sterk: afspraak is afspraak.

Dames en heren,

Ik ben een optimist. En uit ervaring weet ik dat we er in de EU altijd samen uitkomen. Dat geeft vertrouwen. Maar ik ben ook bezorgd. Ik zei al dat het sentiment rond de EU kwetsbaar is. Brexit laat zien dat de EU geen onomkeerbare zekerheid is. In veel lidstaten staan de partijen in het politieke midden, de partijen met een lange Europese traditie, onder druk.

Maar zoals ik ook al betoogde: we zijn na 1945 niet zomaar het meest stabiele, meest welvarende, meest sociale en meest vrije continent ter wereld geworden. Die verworvenheden rusten op een basis van gedeelde waarden, onderling vertrouwen en de bereidheid compromissen te sluiten. Steeds weer opnieuw, om als individuele lidstaten én als collectief sterker te worden. Als we die basis laten eroderen, leggen we de bijl aan de wortel van alles wat is opgebouwd.

En dat gevaar is niet denkbeeldig, want aan de flanken van het politieke spectrum zien we overal in Europa partijen opstaan die het grote belang van Europese samenwerking simpelweg ontkennen. Daarover klagen heeft geen zin. Het enige dat we er tegenover kunnen zetten, zijn resultaten. Op de schouders van de middenpartijen in alle lidstaten rust daarom een grote verantwoordelijkheid om te bewijzen dat samenwerking loont en meerwaarde oplevert. Als we die oerbelofte van de EU niet nakomen, gaan mensen de valse beloftes en fantasieën van politici aan de flanken eerder voor waar aannemen.

Hoogdravende visies leveren geen banen en veiligheid op. Geschreeuw op de flanken ook niet. Alleen hard werken, stap voor stap, Schritt für Schritt, levert resultaten op waar mensen in hun dagelijkse leven wat aan hebben. Als we dat doen, en elkaar blijven stimuleren en aanspreken, dan weet ik zeker dat we die belofte van Europa zullen vervullen.

Dank u wel.

Verantwoordelijk

Ministerie van Algemene Zaken
Deel deze pagina