Haha, kunnen we eigenlijk el echt goed zwemmen?? Zo te lezen NEE dus !

Reisredacteur Noël van Bemmel vond zelf dat hij prima kon zwemmen, zoals veel volwassenen met een zwemdiploma. Totdat een hoofdschuddende badmeester uitlegt dat de meesten niet verder komen dan verdrinkingspreventie.

Wilt u dit verhaal liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie. 

‘Na de operatie kunt u alles doen’, verzekerde de orthopeed die mijn gebroken knie reconstrueerde met donorbot. Gewoon een paar maanden uitharden in een rolstoel en dan weer spieren kweken bij de fysiotherapeut. Na afloop, beloofde hij, kon ik weer joggen om fit te blijven. En toch besloot ik mijn knie te sparen en kocht ik een strippenkaart bij het zwembad. Sindsdien ben ik een banenzwemmer: twee keer per week gestaag heen en weer in een 50 meter bad.

Gelukkig kan ik best goed zwemmen. Want niet iedereen heeft zwemdiploma D (met reddend zwemmen en duikplank) en niet iedereen zwom als kind jarenlang bij een zwemvereniging. Tijdens het schoolzwemmen had de zwemleraar bepaald: ‘iedereen die eerder binnenkomt dan Van Bemmel heeft gesmokkeld en moet een extra baantje doen.’ Dus bleef ik soms hangen aan de ballenlijn, zodat klasgenoten woedend een extra rondje moesten doen (sorry nog). Eén keer per week lag ik al voor schooltijd in een mistig buitenbad.

Foto Pauline Niks

Het was dus logisch dat ik meteen in baan 3 sprong. Onder banenzwemmers heerst immers een bewaakte orde. In baan 1 spartelen beginners en kletsen oudere dames bij in het ondiepe; baan 2 is een trage file van zwemmers die hun haar liever droog houden; bij baan 3 staat het bordje ‘Snelle Baan’ en draagt iedereen een zwembril; in baan 4 domineren gespierde mannen – veelal expats – die louter borstcrawlen. In baan 3 vond ik mijn plaats, tot ik een keer te laat kwam.

‘U komt voor de proefles?’, vraagt een zwemtrainster in het Amsterdamse Marnixbad. Ik stamel maar ja, anders moet ik weer naar huis. De vrouw kijkt keurend naar mijn lichaam en oordeelt: ‘Baan 3. Daar hangt al een A4-tje met een schema klaar: 4 x 50 meter schoolslag (op 50 procent), 2 x 50 meter (op 100 procent), enzovoorts. Ik vertrek als een dolle, kom lekker mee met de rest, maar de trainster tikt mij na twee baantjes op de schouder. Met gêne in haar stem: ‘Euh, misschien kunt u toch beter bij de beginners in baan 1? Probeer meer tijd te nemen voor uw slagen, langer uit te drijven onder water. Zullen we afspreken, 2 seconden?’

Foto Pauline Niks

De conclusie na een uurtje proefles: ik kan eigenlijk niet zwemmen. En u waarschijnlijk ook niet. Oké, we hebben een zwemdiploma en we halen de overkant. Of de oever, als we van de veerboot over ’t IJ vallen. Maar dat is geen zwemmen, dat is niet-verdrinken. Een trainer wijst hoofdschuddend naar een banenzwemmer die een keurige schoolslag doet met zijn hoofd boven water. ‘Kijk, dat noemen wij geen zwemmen. Het is meer heen en weer peddelen, maar zo bouwt hij geen spieren of conditie op.’ Jammer eigenlijk, dat badmeesters na je diploma-uitreiking geen advies meer geven. Daarom doen we maar wat, met z’n allen.

‘Jouw belangrijkste doel in het water’, zegt de Australische zwemcoach Brenton Ford op YouTube, ‘is weerstand verminderen. Pas als je houding goed is, heeft het zin je voorstuwing te verbeteren.’ Ford geeft iedere vrijdag tips terwijl je kijkt naar helderblauwe onderwaterbeelden uit een zonnig bad in Melbourne. ‘Lig horizontaal in het water, zodat zo min mogelijk water tegen je borst en je dijen klotst. Dat gaat vanzelf als je je hoofd onder water houdt en je nek één lijn vormt met je ruggegraat. Beweeg je hoofd omhoog, en je voeten gaan zinken… Zwemmen doe je dus zonder één rimpel in je nek. En span je rompspieren, we willen geen wet noodle in het zwembad.’

Allemaal dingen die de badmeester nooit verteld heeft. Avonden lang kijk ik naar blauwe filmpjes op YouTube kanalen als Effortless Swimming en Swim Fast: kalme coaches verklappen wat de meeste zwemmers fout doen (hoofd steekt te veel uit het water, niet uitblazen onder water, gebogen knieën, haastige slagen) en geven trucs om sneller te worden (kijk naar de bodem, trappel vanuit de heupen, maak geluid onder water, glij een stukje door na iedere slag, haal gewoon adem). Nooit geweten dat je meer water grijpt met licht gespreide vingers. Op advies van Brenton overdrijf ik iedere verbetering. ‘Het moet een beetje raar voelen, anders gebeurt er niks.’

Foto Pauline Niks

En verdomd: het werkt. Het voelt als slowmotion, maar ik haal sneller de overkant met minder slagen. Bij de schoolslag strek ik mij uit na iedere beenslag en drijf – kijkend naar de bodem – 2 seconden door. Bij de vrije slag draai ik mijn hoofd minder zijwaarts en haal adem in een golfdal veroorzaakt door mijn kruin; ik strek mijn voorste arm en win zo extra tijd om te inhaleren. Geen overhaast gespartel meer en kortademig gehijg, het water werkt mij minder tegen. Enig nadeel: steeds meer zwemmers in baan 3 lijken stil te liggen.

Tot schrik van mijn medezwemmers begin ik ongevraagd advies te geven onder de douche. ‘Zeg, ik zag bij jou een rimpel in je nek, kijk jij wel naar de bodem? Weet jij dat je een beetje kruislings je armen in het water steekt bij de borstcrawl? Daarom zwabber je zo! Nee ik ben geen expert, ik kijk YouTube filmpjes.’ Nu herken ik ook de echte zwemmers. Eigenlijk iedereen die een waterfles meeneemt en begint met stretchoefeningen op het droge. Waaronder opvallend veel buitenlanders, Australische mannen met de spanwijdte van een albatros, efficiënte Franse meisjes die langs glijden zonder één spetter te maken.

Foto Pauline Niks

‘Zwemmen draait om twee dingen’, zegt voormalig olympisch zwemmer Johan Kenkhuis (37). ‘Stuwing en weerstand.’ Hij wijst op een onderwaterfilmpje dat hij van mij maakte in zijn SwimGym: twee 50 meterbanen onder een gebouw in Amsterdam. ‘Je wilt zo veel mogelijk stuwing veroorzaken met je armen en benen, en daarna maximaal stroomlijnen om de weerstand te verminderen. Dat gebeurt onder water, alsof je door een rechte, nauwe tunnel zweeft.’ SwimGym filmt onder en boven water, waarna een trainer op een groot scherm laat zien wat er verbeterd kan worden.

‘Kijk naar je schoolslag. Ik zie dat je boven water adem haalt en onder water uitdrijft. Dat is al goed. Maar je beenslag is veel te wijd! Zo leren we dat op zwemles, maar dat heeft niks met stroomlijnen te maken. Dat is verdrinkingspreventie. Bedenk hoeveel weerstand die ver uitstekende knieën veroorzaken als ze tegen de zwemrichting in bewegen. Hou die knieën meer bij elkaar, draai je voeten naar buiten en sluit die onderbenen met een klap vanuit de bil-hamstring. Een goede schoolzwemmer herken je altijd meteen aan zijn X-benen.’

Voor zo’n training hebben banenzwemmers best 59 euro per maand over. Kenkhuis stopte tien jaar geleden als wedstrijdzwemmer, maar wilde af en toe nog wel een baantje trekken. ‘Ik heb alle zwembaden van de stad geprobeerd, het was frustrerend. Badmeesters houden geen orde, iedereen mag maar in de snelle baan, borstcrawlers en schoolzwemmers gewoon door elkaar. En je kunt alleen op vaste tijden terecht.’ Kenkhuis liet een eigen zwembad aanleggen, bedoeld voor banenzwemmers die zich willen verbeteren, elkaar stimuleren. ‘Ik ben nu 1 jaar open en er is sinds kort een wachtlijst. We zijn rendabel zonder 1 cent subsidie. Ik zoek nu locaties in Amsterdam en in andere steden voor nieuwe SwimGyms.’

Johan Kenkhuis geeft uitleg met onderwaterbeelden. Foto Pauline Niks

Mijn vrije slag blijkt niet slecht, maar dan komt het. Ik kijk te veel naar het plafond bij het ademhalen, ‘dan zinken je voeten’; er zit te veel spanning in mijn armen bij de bovenhaal, ‘dat is je rustfase, breng je elleboog ontspannen langs je hoofd, steek je vingers op tweederde in het water en laat je hand doorglijden op zoek naar waterdruk’; en ik knijp mijn adem toe, ‘dan gaat je hartslag onnodig omhoog, blaas meer uit onder water en haal fors adem.’ Zelf mijn zwemshort is niet goed, op het scherm bolt mijn achterzak op als een parachute. ‘Je bent aan een strakke Speedo toe.’

VRIJE SLAG

De meeste Nederlanders leerden zwemmen met de schoolslag. Het hoofd boven water houden, is geruststellend voor het lerende kind, was de gedachte. Zwembond KNZB stapte in 2013 over op de Australische methode: eerst de crawlslagen (vrije slag en rugslag) aanleren, daarna pas de schoolslag. De Nationale Raad Zwemveiligheid schrijft geen volgorde voor, maar signaleert wel dat rugcrawl voor beginners voordelen biedt: een eenvoudige slag waarbij de ademweg vrij blijft. Daarna, hopen deskundigen, steken kinderen ook bij de schoolslag hun hoofd onder water en bewegen ze gestroomlijnder door het zwembad.

Die heb ik nog steeds niet. Evenmin als de waterfles. Maar ik snij door het water als een mes door de roomboter. Nou ja, magarine. Het is bizar: hoe relaxter je beweegt, hoe sneller je zwemt. Een oudere badmeester spreekt een dame in baan 1 aan. Hij gaat voluit op de zwembadrand liggen en maakt een crawl beweging met zijn arm. ‘Kijk, als je op het laatste moment je arm strekt, kun je nog heel wat water wegduwen voordat je ’m uit het water haalt. Scheelt zo vijf slagen per baan! Wacht, ik doe het even voor.’ En daar ligt badmeester André al in het water. Jammer dat hij een uitzondering is. ‘Ik doe dit al dertig jaar, ik vind het gewoon leuk.’

Volgende stap in mijn zwemleven: met gespreide vingers zwemmen! Ik heb dat al heel wat medezwemmers triomfantelijk geadviseerd. André zegt daarover: ‘Nou, ik zou het niet doen.’ Johan Kenkhuis zegt diplomatiek: ‘Je grijpt inderdaad meer water met open vingers, maar dat werkt alleen als je écht snel gaat.’

Foto Pauline Niks
Foto Pauline Niks
Foto Pauline Niks
Foto Pauline Niks
MEER OVER

  • JOHAN KENKHUIS
  • ZWEMMEN
  • SPORTDISCIPLINE
  • SPORT
  • YOUTUBE
  • AMSTERDAM
  • ANDRÉ
  • BRENTON FORD