De laatste jaren probeer ik het nieuws over het conflict vooral te negeren. Waarom leren islamitische kindertjes in Nederland dat Joden de vijand zijn?

OPINIE  Jamal Ouariachi. © Maartje Geels
'beste jamal ...jij vroeg...ik heb een antwoord'
04:10
14.988 weergaven
Shalom uit israel שלום ישראל

beste jamal …jij vroeg…ik heb een antwoord

COLUMN

Toen ik in de jaren tachtig en negentig opgroeide in links Amsterdam, lag het voor de hand welke kant je koos in het Israëlisch-Palestijnse conflict: die van de underdog, de Palestijnen. En dan had ik ook nog eens een Marokkaanse vader.

U krijgt 5 artikelen van Trouw cadeau. Dit is nummer 2 .

Onbeperkt onze artikelen lezen? Digitaal Basis € 2.50 per week.

Arabieren aller landen c.q. moslims in het algemeen, beschouwen zich als sterk verbonden met hun Palestijnse broeders. Ik kreeg die denkbeelden nooit door de strot geduwd – ze leken vanzelfsprekend.

Pas in het eerste decennium van deze eeuw begon die rotsvaste overtuiging af te brokkelen. Met de Joodse hoogleraar bij wie ik afstudeerde voerde ik tijdens onze lunchpauzes altijd intense gesprekken over politiek en literatuur. We wisselden heel wat boeken uit, en het was van hem dat ik ‘Een verhaal van liefde en duisternis’ van de Israëlische schrijver Amos Oz cadeau kreeg. Een autobiografisch relaas dat me niet zozeer van positie deed veranderen, als wel een verfijndere blik bood op die ‘andere kant’, de Israëlische.

Verheerlijken

In dezelfde periode won het islamitische zelfmoordterrorisme rap aan populariteit, ook onder Palestijnen. Ik kon er helemaal niets mee, die verheerlijking van de dood, het toejuichen van een zelfmoordenaar als martelaar. Verzetsstrijders die voor een beter leven vechten zijn bereid tot compromissen. Verzetsstrijders die de dood als het hoogst haalbare zien, binden geen centimeter in. Het resultaat: een totale impasse.

En wat deed ondertussen de internationale broederschap van Arabieren? Niets.

De laatste jaren probeer ik het nieuws over het conflict vooral te negeren. De wederzijdse slachtpartijen zijn niets dan een zichzelf bekrachtigende herhaling van zetten. Ik kijk pas weer op wanneer er iets positiefs geprobeerd wordt, hoe kleinschalig ook. Maar zelfs dan loopt het altijd weer uit op ellende.

In NRC las ik vorige week over de samenwerking tussen de Marokkaans-Nederlandse zangeres Teema en haar Israëlische collega Noam Vazana. Toen de twee vorig jaar een optreden verzorgden op een jazzfestival in Tanger, riep de anti-Israëlische organisatie BDS op tot een boycot. Het duo moest beveiligd worden, bezoekers bleven weg uit angst voor een aanslag. Sindsdien wordt Teema nauwelijks meer geboekt in Arabische landen: ze heeft geheuld met een ‘moordenaar van Palestijnse kinderen’.

Internationale boycot

Een oude ergernis flakkerde op: over die hypocriete internationale broederschap van Arabieren dan wel moslims. De meeste leiders in de islamitische wereld zie je enthousiast hun eigen mensen vermoorden, martelen en onderdrukken – en voor de Palestijnen doen ze geen moer. Zelden hoor je tegen hén hetzelfde soort expliciete haat-uitingen als tegen Israël.

Waar is de internationale boycot-organisatie tegen koning Mohammed VI van Marokko? Waarom leren islamitische kindertjes in Nederland dat Joden de vijand zijn, en niet dat ze moeten spugen op hoe Saudi’s met vrouwen omgaan, of dat Iran de duivel is omdat daar homoseksuelen worden geëxecuteerd? Ik ben niet ineens pro-Israël. Maar ik weet ook niet meer wie mijn broeders dan wél zijn.

Jamal Ouariachi is psycholoog en schrijver. Voor zijn roman ‘Een Honger’ ontving hij in 2017 de EU-prijs voor literatuur. Lees hier meer van zijn columns