Herdenken van Joodse inwoners in Noord- en Zuidbroek

Voor de Joodse weggevoerde mensen van Noord- en Zuidbroek wil de Historische Kring Menterwolde ‘Commissie Stolpersteine’ herdenkingsstenen in het trottoir van hun toenmalige woonplaats plaatsen, genaamd Stolpersteine. Uit;” De Joodse gemeenschappen in Hoogezand-Sappemeer, Slochteren, Noord- en Zuidbroek en omliggende dorpen”
Familie van der Laan Noordbroek
Jozef Philippus van der Laan werd geboren in Oude Pekela. Hij kwam in Noordbroek in 1792. Waarschijnlijk is hij in 1809 getrouwd met Saartje Gersons, geboren te Groningen. Hij had een huis met 7 vensters, een gewone voordeur en een baanderdeur, of te wel een grote deur naar de schuur of stal. Jozef was vleeshouwer. Op de veiling van de spullen van Symon Nathan, een andere Joodse inwoner van Noordbroek, kocht hij een tafel, houtwerk, borden, theegoed en een doofpot voor f 3,25.

Jojo van der Laan. 
Hij betaalde patentbelasting en f 2,- Hoofdelijke Omslag en f 1,- voor de nachtwacht. En 30 francs aan de synagoge te Veendam. Nadat het zesde kind was geboren werd hij lager ingeschaald.  Zij kregen 7 kinderen waaronder Philippus, Rachel, Izaäk en Tegcheltje. Tegcheltje betaalde al patentbelasting op haar 15e, wat betekende dat zij zelfstandige was. Jozef’s vrouw overleed in 1834. De aangifte voor successiebelasting is achterwege gelaten. De burgemeester van Noordbroek schreef aan de belastingdienst dat vervolging geen zin had, want de vrouw had geen waardevolle dingen nagelaten en de kinderen waren niet welvarend. Philippus, mannelijke deel van een tweeling, was toen slagersknecht in Assen en Tegcheltje verdiende de kost als zelfstandige in Groningen. Rachel overleed in 1841 en liet F 15,- na aan de enige erfgenaam, haar vader.
Het derde kind, Izaäk, werd later oprichter van de kehilla te Noord- en Zuidbroek.
Izaäk had in 1875 een belastbaar inkomen van minder dan f 500,- en betaalde in de laagste klasse f 1,20. Maar hij hoor-de als belastingbetaler wel in het kiezersregister voor de gemeenteraads- verkiezingen. Want de betaler mocht meebesturen.

Trouwfoto Izaäk van der Laan en Hillechiena Rosina van Hoorn.
In 1895 verkochten Izaäk en zijn vrouw Johanna de Pool hun huis en slachterij aan hun 37-jarige, vrijgezelle zoon Jozef, voor f 1400,-. Deze trouwde in 1909 met de 21 jaar jongere Sara Frank. Het huwelijk werd uitbundig gevierd in het plaatselijke hotel Schrage. Ook de niet-joodse buren en kennissen waren uitgenodigd. De kok werd vervangen door een Joodse kok uit Groningen. De gasten waren verzekerd van gereinigd eten. En niet-alcoholische dranken werden geschonken. Er werd veel gedanst en gezongen. Het leeftijdsverschil tussen bruid en bruidegom was nogal groot. Jozef was een verlegen man en oom Benje en tante Biene hadden hem een beetje geholpen toen Sara in Noordbroek verscheen. Het bruidspaar werd hier natuurlijk mee geplaagd in stukjes en liedjes. De teksten werden trouwens in druk aan de bezoekers meegegeven. “Toen Saar is gearriveerd, stonden zijn handen hem verkeerd” zo werd er gezongen.
Huwelijksmakelaars waren onder de Joden sowieso niet onbekend. 
Zij kregen 2 kinderen. Jozef deed de slachterij eerst alleen, later samen met zijn zoon Izaäk. Tussen beide oorlogen hadden ze als enigste een winkel, naast dat ze het vlees langs de huizen uitventten.
Evenals de andere slachterijen slachtte men niet koosjer en verkochten zo-wel rund- als schapen- en varkensvlees. Alleen voor eigen gebruik ging men ritueel slachten.
In die tijd lag er op varkensvlees belasting, zodat schapen- en lamsvlees goedkoper waren en wel f 0,25 per pond.
Zoon Izaäk trouwde met Hillechiena Rosina van Hoorn, kortweg Hilda genoemd. Hoewel Jozef bekend stond als zuinig, werden de trouwfeesten van hemzelf met Sara en van zoon Izaäk en zijn zus Annie, altijd uitbundig gevierd. Niets werd achterwege gelaten. Zowel Joodse familie als niet Joodse dorpelingen werden uitgenodigd en het ontbrak hun aan niets. En altijd bij de plaatselijke horeca, hotel Schrage.
Men moest op de kleintjes letten. En dat deed vader Jozef. Toen zoon Izaäk na een toneelvoorstelling waarin zijn vrouw Hilda meegespeeld had, de spelers trakteerde op worst, zei zijn vader de volgende morgen kritisch; ”ik hoorde de snijmachine wel, maar de la niet.”
Hilda was eerste klas toneelspeler en heeft vele prijzen gewonnen. Een toneelstuk zonder Hilda was geen toneelstuk. Ook stond Hilda midden in de dorpse samenleving. Ze was met velen bevriend en deed, als het even kon, overal aan mee.
Vader Jozef overleed in juli 1935. De rouwstoet liep langs de melkfabriek in Uiterburen, via een zandpad over het veen naar de Joodse begraafplaats. Vrouwen en niet Joden moesten bij de ingang van de begraafplaats terug. Zij mochten niet mee het terrein op.
De zoon van Izaäk en Hilda, Johan (ook wel Jojo) genoemd, werd besneden door Mohel Frank uit Hoogezand. Deze verrichtte zijn werk in een traditionele zwarte mantel. Hoewel sommige Mohels dit al in een witte jas deden voor de hygiëne. Na de ingreep ging het kind direct naar zijn bed en de gasten vierden het feest met havermoutkoekjes, gebak en een borrel.

Het inmiddels afgebroken huis van de slagerij van der Laan aan de Hoofdstraat. 
Nu voetpad Hoofdstraat/Kapelstraat. 
In het begin van de oorlog werd Izaäk een vluchtroute naar de V.S. aangeboden, maar hij vond een gedwongen emigratie te veel nadelen hebben. Wel had- den Izaäk en Hilda alvast mooie bezittingen bij de vrienden en bekenden ondergebracht, toen zo hier en daar Joden werden weggevoerd. Stel ze zouden ook weggevoerd worden naar een werkkamp. Als ze weer terug zouden komen, hadden ze tenminste nog wat eigen huisraad.
Op 10 juli 1942 verlieten Izaäk van der Laan, Nathan Wolf (die een onderduikadres aangeboden had gekregen, maar dit niet durfde), Simeon van der Hak, de broers Oscar, Max en Daniël Dalsheim, Freerk en Benjamin Wolf en Salomon Boomstra uit Zuidbroek noodgedwongen het dorp. Ze moesten lopend naar het station in Zuidbroek, vanwaar ze met een personentrein naar Westerbork werden gebracht. Maar hun verblijf hier was maar kort. Ze werden in de nacht van 15 op 16 juli 1942 vanuit Westerbork naar Auschwitz getransporteerd. Dit keer in een goederentrein. Op 30 september waren ze niet meer in leven.
Op 11 november 1942 werden Salomon en Hanna van der Hak-van Geuns en Hilda van der Laan met 4-jarig zoontje Jozef opgepakt. Hilda liep zwaarbepakt (4 jassen en 2 liter gesmolten vet in een kussensloop) met een huilende Jozef ’s avonds om 10 uur naar het gemeentehuis te Noordbroek. Jozef wilde zijn lampionnetje meenemen. Het was immers die avond Sint Maarten geweest en dat lampionnetje was op dat moment het mooiste wat er was. Maar dat mocht niet van zijn moeder. Ze had al genoeg om mee te nemen. In het gemeentehuis moesten ze die nacht op de grond slapen. De volgende dag bracht de bode hen naar de trein op het station te Zuidbroek die hen naar kamp Westerbork bracht. Een week later gingen ze al naar Auschwitz. Het kappers-echtpaar Burghard kreeg nog een kaartje van Hilda, uit de trein gegooid toen ze langs Zuidbroek gingen. Ze schreef; “lieve buurtjes, we zijn op transport gesteld naar Dtsl. We houden ons goed. Tot spoedig weerziens. Doet u de groeten aan de Jonkmans en zuster Tepper. Hartelijke groeten van Hilda en Jojo.”  Na 3 dagen reizen werden ze direct na aankomst vergast.
De herdenkingsstenen
Voor de Joodse weggevoerde mensen van Noord- en Zuidbroek heeft de “Commissie Stolpersteine” een herdenkingssteen in het trottoir van hun toenmalige woonplaats geplaatst, genaamd Stolperstein.
Pagina delen met AddThis