‘Denk goed na voor je biologische landbouw ophemelt’

Julie Borlaug: ‘Mijn grootvader was dertien jaar bezig om handmatig soorten tarwe te kruisen. Dat vonden de critici toen ook al onnatuurlijk.’

De motivatie om honger te bestrijden erfde Julie Borlaug van haar grootvader, die een Nobelprijs won met zijn landbouwhervormingen. En net als hij zoekt zij de antwoorden in modernisering.

Ze knikt. Jazeker, de uitdaging mag er zijn. Nog deze eeuw zal de wereld tien miljard inwoners tellen. Tegen die tijd zijn zij heel wat welvarender dan nu, met alle gevolgen voor hun voedingspatroon. Zo veel mensen van voldoende voedsel voorzien op een manier die de aarde kan ondersteunen, wordt een gigantische opgave. ‘Gi-gan-tisch’, zegt ze. Grote ogen.

Maar dit moet hoop geven: we stonden eerder voor zo’n uitdaging. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw groeide de wereldbevolking veel harder dan nu. Landen in Afrika, Azië en Zuid-Amerika werden geteisterd door hevige hongersnoden. Bezorgde opinieleiders in Amerika en Europa riepen politici op om te stoppen met noodhulp, omdat het toch hopeloos was. Zover kwam het niet. De oplossing kwam van Norman Borlaug, een Amerikaanse landbouwkundige. Zijn modernisering van de landbouw stuwde de voedselproductie flink omhoog. Hij kreeg er precies vijftig jaar geleden de Nobelprijs voor de Vrede voor.

En zij? Zij is zijn kleindochter, die in zijn voetsporen is getreden. Julie Borlaug is eveneens vastberaden om arme boeren in ontwikkelingslanden vooruit te helpen. Ze werkt bij een start-up in de biotechnologie die innovatie in de landbouw stimuleert en bijvoorbeeld boeren van de modernste zaden wil voorzien. Haar idealen worden nu ondermijnd, zo vreest ze, door de groeiende vraag naar biologische landbouw in zowel het publieke debat als op het politieke toneel. Volgens haar verraadt deze ontwikkeling een misplaatste hang naar vroeger, waarin het oude, traditionele boerenbestaan wordt geromantiseerd door westerse stedelingen die zelf vervreemd zijn geraakt van de natuur. Borlaug meent dat hun oplossingen niet zullen helpen.

Eind januari was Borlaug in Rotterdam op uitnodiging van HollandBio, de belangenvereniging van Nederlandse bedrijven in de biotechnologie.

De Europese Unie werkt aan een Green Deal. Daarin is een belangrijke rol weggelegd voor biologische landbouw. Europa moet een voorbeeld worden voor de rest van de wereld.

‘Het is prima om biologisch te boeren als dat je eigen keuze is. Ik begrijp ook wel waarom boeren in Europa dat willen: je krijgt een hogere prijs voor je producten en kennelijk extra subsidie. Maar we moeten wel beseffen dat biologische landbouw veel meer land vereist. De opbrengst ligt gemiddeld 30 procent lager dan bij conventionele landbouw, dus moeten we wellicht bossen gaan kappen om er landbouwgrond van te maken. Ook heb je meer mensen nodig, want het is veel arbeidsintensiever en tijdrovender: biologische landbouw vereist bijvoorbeeld handmatig wieden en voortdurende controles voor schadelijke dieren en plagen.’

Zouden mensen niet bereid zijn om op het land te werken, denkt u?

‘Ik geloof niet dat er veel interesse zal zijn, nee. Niet voor niets zien we vooral buitenlanders werken op het land: Mexicanen in de Verenigde Staten, Oost-Europeanen in Nederland. In landen als India en Egypte zien we dat kinderarbeid op het land toeneemt. Het is laagbetaalde arbeid en hard werken. We hebben een idyllisch plaatje van de landbouw uit de tijd van onze grootouders of overgrootouders, maar het was destijds geen pretje. Het was vreselijk zwaar en vermoeiend werk, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, dag in, dag uit.

‘We zijn op allerlei terreinen dol op technologie, want die maakt ons leven gemakkelijker en comfortabeler. We zijn er zo aan gewend geraakt, dat we binnenkort onze auto’s voor ons laten rijden, zodat we het niet langer zelf hoeven te doen. En dan zouden we in de landbouw de modernisering afzweren en teruggaan naar biologisch boeren?’

In Afrika werkt zeker de helft van de bevolking in de landbouw.

‘Ja, ik heb met eigen ogen gezien hoe dat eruitziet. Sindsdien vraag ik me af waarom wij het in hemelsnaam accepteren dat duizenden kilometers verderop mensen werken zoals onze voorouders dat deden in de 18de eeuw. Waarom hebben we er nog vrede mee dat een vrouw iedere dag vijf kilometer moet lopen om water te halen en hout bij elkaar moet sprokkelen om op te koken, om de rest van de dag onkruid te wieden, soms zonder fatsoenlijk gereedschap, tot ze een kromme rug heeft? Afrikanen snakken naar technologie die hen helpt in de landbouw, al is het maar een mobiele telefoon om het weer beter te kunnen voorspellen of de prijzen op de markt te volgen.’

Afrikanen boeren in elk geval nog op een natuurlijke manier.

‘Precies, en die wijze houdt hen gevangen in een spiraal van honger en armoede. Pas dus maar op als je biologische landbouw ophemelt of zelfs voorstelt als model voor de wereld.’

Hele volksstammen danken de Heere voor hun dagelijks brood; ze kunnen beter Norman Borlaug bedanken. Borlaug werd in 1914 geboren in een boerendorp in Iowa en werkte als jongen op het land, samen met zijn ouders, grootouders, zusjes, ooms, tantes, neven en nichten. Na zijn studie genetica en plantenziektekunde ging Borlaug in 1944 werken in Mexico. Zijn taak was om de tarweopbrengst te verhogen, want alle tarwesoorten werden aangetast door zwarte roest. Deze hardnekkige schimmelziekte, die veel voorkwam bij granen, hield de Mexicanen ondervoed en arm.

Borlaug werkte met een klein budget. Hij zaaide plantjes op een testveldje dat hij zelf moest ploegen, zonder gereedschap. Hij sliep in een slaapzak op een betonnen vloer. Na vele jaren van vallen en opstaan, lukte het Borlaug om planten zodanig te kruisen en veredelen, dat er een tarwevariëteit ontstond die resistent was tegen ziekten. Dankzij de combinatie met kunstmest, bestrijdingsmiddelen en irrigatie steeg de graanproductie explosief, onder meer in Mexico, India en Pakistan. Later werd het trucje herhaald voor de rijstoogst in landen als China en Indonesië. Deze spectaculaire voedseltoename wordt de Groene Revolutie genoemd.

Neem honderd Amerikanen, jong en oud, man en vrouw, hoog- en laagopgeleid. Hoeveel van hen zouden de naam Norman Borlaug herkennen?

‘Nul.’

Nul? Is dat niet verrassend voor iemand aan wie een miljard mensen hun leven te danken hebben?

‘Zijn onbekendheid verrast iedereen, behalve onze familie. Weet u, toen ik opgroeide, wist ik ook niet wat hij precies deed. Ja, opa reisde veel en deed iets met landbouw. Wist ik veel van al die prijzen en onderscheidingen.’

Het was u toch niet ontgaan dat hij de Nobelprijs voor de Vrede had ontvangen?

‘Akkoord. Ik nam mijn opa eens mee naar school. Ik zat in de middenbouw. Hij liet zijn Nobelprijs zien en vertelde erover aan de kinderen. Nou, niemand was onder de indruk. Een klasgenootje had die dag haar hamster meegenomen; die vonden ze veel interessanter.’

Wat zegt zijn onbekendheid over de samenleving?

‘We moeten ons afvragen wat iemand tot een held maakt. Is het een sporter, zangeres of acteur, of is het iemand die al zijn passie steekt in een poging om de wereld beter te maken? Volgens mij zijn er nog veel helden en heldinnen in de wereld die wat meer erkenning verdienen.’

Toch zijn er zorgen om de milieu-impact. De Groene Revolutie leidde tot overmatig gebruik van kunstmest en water, uitputting van de bodem en verontreiniging van water en lucht.

‘Dat klopt. Die schade wordt onderkend en aangepakt. Sensoren, data en drones zorgen ervoor dat boeren veel preciezer en nauwkeurige kunnen werken. Zo kan een boer tegenwoordig veel beter weten hoeveel kunstmest, water en andere zaken nodig zijn. Dat heeft een einde gemaakt aan overmatig gebruik. Sterker, inmiddels gebruiken Amerikaanse boeren steeds minder chemische stoffen per hectare en halen ze steeds grotere opbrengsten op steeds minder land. Hoe dat kan? Dankzij technologische ­innovatie.’

Veel mensen geven uw grootvader de schuld van de milieuschade.

‘Tja, hij is voor sommigen een held, voor anderen een boosdoener.’

Vindt u de kritiek en zorgen terecht?

‘Kijk, hij had niet de intentie om het milieu te vervuilen. Mijn grootvader zag het lijden van de mensen in arme landen. Hij deed wat hij kon om hen te redden. Wat was het alternatief? Zou u bereid zijn om te zeggen: nou, doe mij al die innovaties maar niet, ik laat mijn familie wel sterven van de honger? Als dat het alternatief is, dan is milieuschade misschien een bijkomstigheid die het waard is.’

Julie Borlaug studeerde internationale relaties en werkte voor diverse internationale hulporganisaties. Nu is ze overgestapt naar Inari, een Amerikaanse start-up met een onderzoeksfaciliteit in Gent, die de zaken anders aanpakt dan gebruikelijk. Inari biedt boeren zaden aan die specifiek voor hun situatie zijn gemaakt. Immers, nu betalen boeren voor zaden met een uitgebreid pakket aan eigenschappen, zoals resistentie tegen droogte of plagen, waar zij in hun regio, op hun grondsoort, in hun klimaat, niet altijd mee te maken hebben. ‘Dat vinden wij verkeerd’, zegt Borlaug stellig. ‘Het is de werkwijze van een monopolist.’

Daarnaast onderscheidt Inari zich, min of meer zonder opzet, met vooral vrouwen in de bedrijfsleiding: zeer ongewoon, en al helemaal in de biotechsector. En de wetenschappers op de werkvloer – eveneens overwegend vrouwen – maken onder meer gebruik van Crispr-Cas, de revolutionaire techniek om het dna van een organisme gericht te bewerken. Zo hopen start-ups als Inari aan de poten te zagen van grote spelers als Bayer, Corteva, Syngenta en BASF die samen zo’n 80 procent van de mondiale zadenmarkt in handen hebben.

Wat Inari doet, is niet natuurlijk.

‘Als we zaden veredelen in een laboratorium, onder een microscoop, bij kunstlicht, door iemand in een witte jas, dan is die wijze van veredeling niet ‘natuurlijk’, nee. De natuurlijke manier is in het open veld; dan duurt veredeling vele honderden jaren. Het kan ook met de hand. Mijn grootvader was dertien jaar bezig om handmatig soorten te kruisen om uiteindelijk te komen tot de variëteiten die werkten. Dat vonden de critici toen ook al onnatuurlijk. Tegenwoordig kan veredeling nog weer sneller – en we weten dan een stuk beter wat er precies verandert aan een zaadje of plantje.’

Zit de angst voor deze nieuwe moderniseringsslag in de landbouw misschien in de snelheid waarmee we de natuur naar onze hand zetten?

‘Ja, dat geloof ik wel. Maar is het niet vreemd dat we bij medische innovatie juist meer snelheid eisen? Door allerlei onderzoeken en regelgeving duurt het soms wel twintig jaar voordat een doorbraak bij de behandeling van een ziekte op de markt komt. Het is terecht dat steeds meer mensen zich beklagen over dit trage proces, omdat het lijden onnodig in stand houdt. Het is merkwaardig dat een vergelijkbare druk volledig ontbreekt bij de productie van voedsel.’

Hoe komt het dat pioniers in agrarische innovatie hun boodschap zo slecht overbrengen?

‘De meeste mensen willen argumenteren op basis van emotie, maar wij zijn geneigd te refereren aan wetenschap en technologie. Dat is vreselijk droog. Zelfs als ik met mijn familie praat over mijn werk, ben ik de meesten binnen een halve minuut kwijt. De critici die pleiten voor biologisch zijn slimmer in hun communicatie en krijgen meer publiciteit. Angst verkoopt, zo blijkt maar weer. Angst over wat we doen met het milieu, ons voedsel, onze gezondheid. Vaak is die angst volslagen onterecht, maar goed, ook misleidende informatie verspreidt zich snel.

‘Neem Greenpeace. Daar prediken ze louter kommer en kwel over landbouw. Ze reppen heel suggestief over ‘gif’ of ‘genetische manipulatie’. De miljoenen die de organisatie besteedt aan haar campagnes op sociale media kan ze beter besteden aan een oplossing. Want iedere dag sterven nog 25 duizend mensen vanwege hongergerelateerde ziekten. Zijn zij gebaat bij de angst die Greenpeace verspreidt? Dat lijkt me niet. Kom op zeg, je kunt niet eeuwig tegen armoede zijn én tegen innovatie.’