Notitie noodverordeningen

Door: Robin Schrantee

In coronatijd vinden we het al snel aanvaardbaar dat er effectief wordt opgetreden om onze collectieve gezondheid te waarborgen. Wanneer er een ander geluid klinkt, zijn dit meestal argumenten die te maken hebben met de economische schade wanneer de situatie te lang voortduurt. Dat laat echter onverlet dat we momenteel in een situatie zitten waar op veel punten (maar lang niet allemaal) het noodrecht de dienst uitmaakt – een onderwerp dat van oudsher tamelijk onderbelicht is gebleven. Totdat de voorzitter van de Eerste Kamer het woord “subjectief noodrecht” liet vallen, leek het alsof dit feit over ieders hoofd heen is gevlogen. Het gaat namelijk niet alleen meer over het aloude strijdveld tussen veiligheid enerzijds en vrijheid anderzijds, waarin de nadruk op het ene altijd ten koste gaat van het andere. Nee, er is nu wat bijzonders aan de hand, waardoor wij opeens collectief accepteren dat onze vrijheid ten koste moet gaan van onze veiligheid – en in veel gevallen niet eens die van onszelf, maar onze ouderen. Dat is op zichzelf prachtig, maar ook in tijden van nood wordt een ieder geacht de wet te kennen – alleen is nou juist dat in tijden van nood lang niet zo vanzelfsprekend. Hieronder volgt daarom een informatieve uiteenzetting over het relevante noodrecht, de verschillende bevoegdheden en wat dat voor burgers betekent. Dit blijft beperkt tot de grote lijnen, en een aantal begrippen die bij juristen vaste kost zijn worden zo begrijpelijk mogelijk uitgelegd, zodat het voor een zo groot mogelijk aantal mensen te behappen valt. Voor eventuele vragen of opmerkingen naar aanleiding van dit stuk staat het een ieder vrij met mij contact op te nemen via facebook of via [email protected].

Dit zal een tamelijk lang stuk worden – er is over dit onderwerp immers vrij veel te vertellen. Daarom worden de specifieke onderwerpen afgebakend via de titels, zodat iedereen kan lezen wat men interessant vindt. Noodverordeningen vallen onder het meer algemene onderwerp van noodrecht, en dan meer specifiek het objectief (geschreven) staatsnoodrecht. Daarom zal eerst kort worden uitgelegd hoe het noodrecht in Nederland in hele, hele grote lijnen werkt. Vervolgens sta ik stil bij verordeningen in het algemeen – niet iedereen weet immers wat dat allemaal betekent. Na dit algemene kader wordt stilgestaan bij de noodverordeningen op gemeentelijk niveau. Vervolgens gaan we een niveau hoger: de veiligheidsregio. Dan is het van belang om te kijken wat je als burger kan doen om jezelf tegen zo’n noodverordening te verzetten. Daarna komt de handhaving aan bod, om het theoretische stuk af te sluiten met een woord over de Wet Publieke Gezondheid. Helemaal onderaan kunnen jullie vinden wat nou wel en niet mag – alle noodverordeningen zijn namelijk nagenoeg identiek. Met name voor studenten is dat stuk goed om te lezen.

Daarbij staat voorop dat noodverordeningen naar aard redelijk vaak worden aangepast – zo zal na het overleg van vandaag en de persconferentie van morgen wellicht een wijziging worden aangebracht in het model noodverordening COVID-19. Het huidige model kunt u hier vinden: https://www.veiligheidsberaad.nl/wp-content/uploads/2020/03/Definitieve-modelnoodverordening-COVID-19-veiligheidsregios.pdf. Indien u de verschillende noodverordeningen erbij pakt, zal u zien dat deze hiermee overeenstemmen. Een overzicht van de veiligheidsregio’s, elk met hun eigen noodverordening, vindt u via deze link: https://www.khn.nl/kennis/lokale-noodverordeningen-als-antwoord-op-maatregelen-coronavirus. Dit brengt u bij de pagina’s van de verschillende veiligheidsregio’s, en daar zijn alle noodverordeningen te downloaden. Vergeet daarbij niet dat steeds de meest recente noodverordening van toepassing is – in elke daaropvolgende noodverordening wordt immers steeds de vorige ingetrokken. Bij de verschillende noodverordeningen (en het model) staan tevens enige toelichtingen die zeer verhelderend kunnen zijn, voor de geïnteresseerden.

Staatsnoodrecht algemeen

Soms breekt nood de wet, zoals het adagium gaat – zelfs wanneer dat niet in de wet is voorzien. Dan komen we aan bij noodrecht. Er zijn in principe twee soorten: objectief en subjectief noodrecht. De laatste is praktisch het meest complex, maar is het makkelijkst te omschrijven. Er zijn dan weliswaar (nood)bevoegdheden voorhanden, maar er doet zich een situatie voor die niet bij wet is voorzien, waardoor die bevoegdheden eigenlijk niet kunnen worden toegepast. Bijzondere omstandigheden kunnen dan vereisen dat die bevoegdheden toch kunnen worden toegepast – men spreekt daarom ook wel van ongeschreven staatsnoodrecht. Wel is dus vereist dat de bevoegdheden op zich bestaan (bij wet voorzien), en dat ze worden toegepast door het orgaan dat bevoegd is deze te gebruiken.

Objectief noodrecht, daarentegen, betreft al hetgeen dat wel bij wet is voorzien – men dient dan vooral te denken aan noodverordening en de wettelijke uitzonderingstoestanden (in normale taal: de noodtoestand). Wat men vaak ziet bij objectief noodrecht is ook een onderscheid tussen inwerkingtreding en inwerkingstelling – dit kan men straks ook zien bij art. 54 Wet op de veiligheidsregio. Elke bekendgemaakte wet treedt in werking. Soms is het echter nodig dat een bepaalde bepaling of een bepaalde wet als geheel ook in werking wordt gesteld – en dat kan pas wanneer zich een bepaalde voorwaarde voordoet, zoals bijzondere omstandigheden of een bovenlokale crisis. Overigens zijn er ook noodregelingen die geheel vormvrij kunnen worden toegepast – art. 175 en 176 gemeentewet (noodbevelen en noodverordeningen) zijn hier voorbeelden van, want deze vereisen niet dat de Regering eerst via Koninklijk Besluit de bepalingen in werking stelt. Wanneer dit wel is vereist, wordt nog onderscheid gemaakt tussen zogeheten “waakvlamwetten” en separate inwerkingstelling bij Koninklijk Besluit. De waakvlamwetten zijn de wetten die alleen in werking gesteld kunnen worden als een van de uitzonderingstoestanden is uitgeroepen – bijvoorbeeld de dankzij de NOS (ten onrechte) bekende “Hamsterwet”. Hier vindt bovendien nog een tweede onderscheid plaats: wanneer de wetten niet afwijken van de Grondwet, volstaat de beperkte uitzonderingstoestand. Doen zij dat wel, dan moet de algemene uitzonderingstoestand worden uitgeroepen – dan kan bijvoorbeeld de oorlogswet Nederland in werking worden gesteld. Hier bevindt zich ook de infameuze wet op de militaire inundatiën, die het mogelijk maakt om in oorlogstijd land onder water te zetten – maar dat is gelukkig nu niet aan de orde!

Verordeningen algemeen

Nu is besproken wat noodrecht is kan het handig zijn om uit te leggen wat een noodverordening eigenlijk is, en daarbij is het eerst zaak stil te staan bij het begrip “verordening”. Verordeningen zijn een vorm van decentrale wetgeving – dat wil zeggen wetgeving op het gebied van provincie, gemeente of waterschap. Verordeningen gelden dan ook alleen voor het gebied waarvoor zij zijn vastgesteld – in het juridisch jargon wordt dit de terroritiale werkingssfeer genoemd. Bovendien gelden verordening, net als wetten, in principe vanaf het moment dat zij zijn bekendgemaakt – dat wordt de temporele werkingssfeer genoemd.

Het woord verordenen betekent het stellen van regels. In verordeningen zijn dus doorgaans regels te vinden die op iedereen, althans op een aanwijsbare groep, gelijkelijk van toepassing zijn en die bovendien telkens op dezelfde manier kunnen worden toegepast, en die burgers aan bepaalde normen binden. Deze elementen zijn vervat in een bekend bestuursrechtelijk begrip: algemeen verbindende voorschriften (AVV’s). Dat is belangrijk, want volgens de algemene wet bestuursrecht is tegen AVV’s geen beroep mogelijk bij de rechter – hier kom ik later nog op terug.

Regels stellen mag altijd alleen wanneer daartoe in de wet in formele zin, dat wil zeggen: een wet die volgens de Grondwettelijke procedure is vastgesteld, een grondslag is gesteld. Dat volgt uit het zogeheten legaliteitsbeginsel: geen bevoegdheid voor de overheid zonder wettelijke grondslag. Zo regelt bijvoorbeeld art. 147 van de gemeentewet de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad – de gemeenteraad is bevoegd, tenzij het college van B&W of de burgemeester volgens de wet bevoegd is. Bovendien kan de raad daaraan een strafbaarstelling verbinden, voor zover dat niet uitgaat boven hechtenis van maximaal 3 maanden of een boete van de tweede categorie (maximaal 4350 euro) – aldus art. 154 gemeentewet. Regels stellen mag dus niet zomaar, en strafbaarstellingen evenmin – dat moet ook volgens de wet zijn toegestaan. De belangrijkste reden hiervoor is dat op wetten sterke democratische controle plaatsvindt, en tevens democratisch gekozen organen bij de totstandkoming van wetten zijn betrokken – met name de Tweede Kamer.

Noodverordeningen gemeentes – art. 176 Gemeentewet

Ook noodverordeningen hebben zo’n wettelijke grondslag. Noodbevoegdheden liggen in de wettelijke constructie met name bij de burgemeester op grond van art. 175 en 176 gemeentewet. Art. 175 regelt de noodbevelen – dat staat de burgemeester toe om bij bijvoorbeeld rampen alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter afwenteling of beperking van gevaar nodig acht, voor zover deze tenminste niet afwijken van de Grondwet en voor zover hij eerst een waarschuwing geeft. Die bevoegdheid ziet dus met name op concrete situaties waar snel tot enige vorm van handhaving moet worden overgegaan. Art. 176 ziet op de noodverordeningen. De burgemeester kan hiertoe besluiten als dezelfde omstandigheden zich voordoen als art. 175, waarbij het nodig is om tijdelijk algemene regels te stellen. Ook deze mogen niet afwijken van de Grondwet, en moeten dwingend worden ingetrokken als de omstandigheid die tot de noodverordening noopt is weggevallen, of als de gemeenteraad bij de volgende raadsvergadering (met een quorumeis van meer dan 50% van de raad) de verordening niet bekrachtigd. Noodverordeningen worden immers niet gemaakt door enig democratisch gelegitimeerd orgaan – dat is per definitie een democratisch tekort. Daarom moet zo’n verordening zo snel mogelijk worden voorgelegd aan een orgaan dat wel democratisch is gekozen.

Wat mag nu in een noodverordening staan? Daarop is maar een, waarschijnlijk niet erg bevredigend antwoord: het moet betrekking hebben op de bijzondere omstandigheden die een noodverordening noodzakelijk maken. Vervolgens is het aan de gemeenteraad om een uiteindelijk oordeel te vellen. Dat ligt echter anders wanneer de crisis zich niet beperkt tot een enkele gemeente, en daarmee het lokale belang overstijgt – dan komen namelijk de veiligheidsregio’s in beeld.

De veiligheidsregio’s

Hier wordt het ingewikkeld. Net als gemeentes zijn veiligheidsregio’s zogeheten “openbare lichamen” – dat wil zeggen een uiting van de overheid die opereert binnen een bepaald gebied. De belangrijkste zijn natuurlijk gemeentes, provincies en waterschappen, maar de Grondwet maakt het mogelijk dat de wet regelt hoe openbare lichamen kunnen samenwerken – en ziedaar de Wet Gemeenschappelijke Regelingen. De zwaarste samenwerkingsvorm is ook een openbaar lichaam. Waarom? Simpel: deze heeft rechtspersoonlijkheid (en kan dus zelfstandig net als ieder mens deelnemen aan het rechtsverkeer – bijvoorbeeld personeel inhuren) en heeft een herkenbare en vertrouwde bestuurlijke inrichting. Nu is een gemeenschappelijke regeling doorgaans niet verplicht (soms wel), maar de Wet op de Veiligheidsregio verplicht uitdrukkelijk tot het instellen van een veiligheidsregio. Dit gebeurt op basis van een soort kaart waarin heel Nederland is opgedeeld in 25 veiligheidsregio’s. Aan de veiligheidsregio worden vervolgens een aantal bevoegdheden overgedragen. Dat is nog best complex – zo heeft het college van B&W het gezag over de brandweer, maar is de veiligheidsregio bevoegd tot het instellen en in stand houden van een brandweer en de voorbereiding op branden, rampen en andere crises. Ook adviseren zij het bevoegd gezag over bijvoorbeeld brandrisico’s –waardoor de gemeenteraad een brandveiligheidsverordening kan instellen, waartoe alleen zij bevoegd zijn. Zoals u ziet: het is er niet makkelijker op geworden, maar het staat in ieder geval allemaal opgeschreven.

Wat nu als een crisis zich niet beperkt tot een bepaalde gemeente? Dan kan art. 39 Wet Veiligheidsregio’s door de burgemeesters van een veiligheidsregio worden geactiveerd, die onder meer alle noodbevoegdheden die normaliter bij de burgemeester liggen neerlegt bij de voorzitter van de veiligheidsregio in kwestie – bijvoorbeeld het vaststellen van noodverordeningen, het geven van noodbevelen, het verbieden van “openbare manifestaties” op grond van de Wet Openbare Manifestaties (die normaal gebruikt wordt om bijvoorbeeld aanwijzingen te geven bij demonstraties of ze zelfs te verbieden als bijvoorbeeld niet tijdig kennis is gegeven van de demonstratie), het doen van een verzoek tot bijstand van de KMAR aan de minister en bijvoorbeeld het gezag over de politie. Bij crises zoals de coronacrisis is de veiligheidsregio dus aan zet. Dat doet zij echter niet alleen – er wordt een regionaal beleidsteam bijeengeroepen, bestaande uit alle burgemeesters, de hoofdofficier van justitie en de voorzitters van het waterschap. Hier bestaat bovendien een belangrijke bevoegdheid van de Commissaris van de Koning: deze kan aanwijzingen geven aan het regionaal beleidsteam en aan de voorzitter van de veiligheidsregio’s (en in het juridisch jargon is een aanwijzing hetzelfde als een bevel!). Dit laat overigens de bevoegdheden van de burgemeester zelf onverlet – hij beschikt nog steeds over z’n eigen bevoegdheden, voor zover deze tenminste niet het lokale belang overstijgen. Daarom is voor de handhaving van de noodverordening en bij bijzondere omstandigheden op lokaal niveau in het algemeen de burgemeester ook nog altijd erg belangrijk.

Tot slot kunnen zich buitengewone omstandigheden voordoen waardoor het noodzakelijk kan zijn dat de minister het gezag naar zich toe trekt. Normaal gebeurt dat door de noodtoestand uit te roepen (de algemene of bijzondere uitzonderingstoestand, zoals dat heet) – dan kunnen bepaalde wetsbepalingen in werking worden gesteld die alle macht bij de Minister c.q. de Regering neerlegt met zeer beperkte democratische controle. De Wet op de Veiligheidsregio’s maakt dit ook mogelijk buiten de noodtoestand via art. 52 en art 54 wet op de veiligheidsregio’s – in dat geval neemt de Minister bepaalde bevoegdheden geheel of gedeeltelijk over.

Wanneer een veiligheidsregio bevoegdheden gebruikt, kunnen deze zien op vrij concrete gevallen, maar ze kunnen ook zien op het gehele gebied van de veiligheidsregio. Noodverordeningen van de veiligheidsregio’s werken dan ook rechtstreeks op gemeentelijk niveau door, en die mogen gemeentes zelf niet doorkruisen – die zijn immers niet langer bevoegd. Gemeenteraden staan dan ook tijdelijk buitenspel, hoewel individuele burgemeesters er verstandig aan doen om gemeenteraden behoorlijk te informeren, juist omdat noodverordeningen erg ver kunnen gaan. Verder kunnen gemeenteraden echter weinig ondernemen – er is vrijwel geen democratische legitimatie voor het optreden van de voorzitter van de veiligheidsregio, maar dat wordt aanvaardbaar geacht vanwege het enorme algemeen belang dat met dat optreden gediend is. Bovendien verplicht de wet ook tot tijdelijkheid – zodra de omstandigheden die tot dat optreden dwingen wegvallen, bijvoorbeeld wanneer de coronacrisis echt voorbij is, valt ook de bevoegdheid van de voorzitter weg. Toch hebben de gemeenteraden totaal geen invloed op de aanwijzing van de voorzitter – en de enige aanwijzingen die gegeven kunnen worden, komen juist van hogerop, en niet van onderen.

Omdat hierdoor het gevaar ontstaat dat in elke veiligheidsregio andere regels gelden, wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van een model noodverordening COVID-19– terwijl het toch mogelijk blijft om in een bepaalde regio, als die bijvoorbeeld zwaarder wordt getroffen, aanvullende maatregelen te nemen. Wel moet, zoals het met alle wetten is, de noodverordening behoorlijk bekendgemaakt worden in het gebied waarin zij van kracht is – doorgaans op de websites van de veiligheidsregio’s en gemeenten.

Wat kan de burger?

Zoals reeds in het begin is vermeld, bevatten verordeningen doorgaans algemeen verbindende voorschriften (AVV’s). Ingevolge art. 8:3, lid 1, aanhef en onder a van de Algemene Wet Bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld tegen een AVV. Rechtstreeks beroep via de bestuursrechter is dus uitgesloten, tenzij hierop uitdrukkelijk een uitzondering wordt gemaakt – een schoolvoorbeeld hiervan zijn de gemeentelijke bestemmingsplannen waartegen rechtstreeks beroep in eerste en enige aanleg openstaat bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS, de hoogste algemene bestuursrechter van het land). De reden hiervoor is in dit geval vrij ironisch – regels worden vastgesteld door of met medewerking van organen die door de burger zelf zijn gekozen. Bij noodverordening is dit nog wel vol te houden – maar bij noodverordeningen van de veiligheidsregio’s is dit natuurlijk een argument dat op zichzelf weinig steekhoudend is, behalve dat de wet op de veiligheidsregio’s zelf is vastgesteld met medewerking van de Tweede Kamer.

Wat kan dan wel? Er zijn twee mogelijkheden. Ten eerste kan de burger stellen dat er sprake is van onrechtmatige wetgeving. In dat geval kan de burger in beroep bij de civiele rechter op grond van onrechtmatige (overheids)daad. Dat heeft weinig kans van slagen – er moet sprake zijn van onrechtmatigheid en schade, en de civiele rechter toetst ZEER terughoudend over AVV’s. Dat betekent dat het orgaan dat de AVV, in dezen de noodverordening, heeft vastgesteld, het wel heel bont moet hebben gemaakt – en zeker in coronatijden is er een vrij sterke rechtvaardiging aanwezig voor de vergaande maatregelen die worden getroffen.

Ten tweede kan de burger een besluit uitlokken wanneer op grond van de noodverordening wordt gehandhaafd, of kan de burger zich verweren wanneer op grond daarvan strafrechtelijk wordt opgetreden. In dat geval komen we bij het complexe leerstuk van de zogeheten “exceptieve toetsing” – de rechter toetst dan of de wetgeving waarop het besluit of de strafvervolging is gebaseerd niet in strijd is met hoger recht (ook de Grondwet! Art. 120 Grondwet ziet immers alleen op wetten in formele zin, niet op decentrale wetgeving) of algemene rechtsbeginselen. Oordeelt de rechter dat dit zo is, kan hij het algemeen verbindend voorschrift ofwel in het concrete geval buiten toepassing verklaren, ofwel in het algemeen onverbindend verklaren. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een noodverordening te ver gaat door bijvoorbeeld te stellen dat je in je eigen woning niet met het gezin mag ontbijten – dat raakt immers niet het publieke belang, en alleen maar het privébelang, en daar mag niet (zomaar) in worden getreden.

Dit is echter risicovol. In het bestuursrecht is bijvoorbeeld in principe geen schorsende werking – dat betekent dat als een boete is opgelegd, de boete toch echt eerst moet worden betaald, ook al krijg je later van de rechter gelijk (tenzij je bij wege van voorlopige voorziening om schorsende werking verzoekt). In het strafrecht is het al helemaal risicovol – krijg je daar geen gelijk, dan heb je wel een strafblad. Kort gezegd heeft de burger dus weinig dat hij zelf kan inbrengen tegen noodverordeningen – bezwaren kunnen beter via een petitie bij het bevoegd gezag of zelfs bij de Tweede Kamer worden gelegd. Het verdient dus wel degelijk aanbeveling om je gewoon aan de letter van een noodverordening te houden, ook al ben je het er niet mee eens.

De handhaving

Tegen het overtreden van de noodverordeningen kan op twee manieren worden opgetreden. Ten eerste het bestuursrechtelijk optreden: dat is immers vaak sneller (maar hier niet: zie enkele alinea’s verder) en effectiever dan strafrechtelijk optreden. De burgemeester is via art. 125 Gemeentewet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, en daarmee is ook de bevoegdheid gegeven om een last onder dwangsom op te leggen (art. 5:32 Algemene Wet Bestuursrecht). Dat zegt alleen niets over de voorzitter van de veiligheidsregio – en art. 125 wordt in de wet op de veiligheidsregio niet genoemd. Dat is een weeffout geweest – de voorzitter van de veiligheidsregio zou anders immers niets bestuurlijk kunnen handhaven. Daarom is via een Corona-spoedwet (tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) in art. 34 alsnog formeel de bevoegdheid gecreëerd zodat wel bestuurlijk kan worden opgetreden. Tegen dit bestuurlijk handhaven is wel bezwaar en beroep mogelijk, zodat de burger zich hiertegen kan verweren.

Het is een algemeen bestuursrechtelijk leerstuk dat handhaven in principe verplicht is. Dit wordt ook wel de ‘beginselplicht tot handhaving’ genoemd. Niet handhavend optreden (gedogen) kan wel, maar alleen wanneer er bijzondere omstandigheden zijn, zoals bijvoorbeeld een concreet zicht op legalisatie van het overtreden voorschrift. Ook kan handhaving achterwege blijven als handhavend optreden ‘zodanig onevenredig is in verhouding tot de met handhaving gediende belangen dat van handhaving behoort te worden afgezien’, aldus de ABRvS. Dit is de onevenredigheidstoets – vereist is immers niet evenredigheid, maar een enorme mate van onevenredigheid – en dat betekent een zeer terughoudende toetsingsmaatstaf voor de rechter. Corona zal dan ook voor een rechter geen aanleiding zijn om te oordelen dat handhaven onevenredig was. Bij handhaving moet echter ook een begunstigingstermijn in acht genomen worden. Dat is een termijn waarin de burger de gelegenheid moet krijgen om de overtreding te herstellen. Bedenk bijvoorbeeld dat er wellicht geen personeel beschikbaar is om maatregelen in het kader van een last onder dwangsom uit te oefenen.

Voorts is nog van belang het onderscheid tussen een bestuurlijke boete en de lasten onder bestuursdwang en dwangsom. Aangezien de eerste een bestraffend karakter heeft, sluit een bestuurlijke boete strafrechtelijke vervolging uit. Dat is bij de last onder bestuursdwang en dwangsom niet het geval, aangezien deze zijn gericht op herstel van de oorspronkelijke situatie voordat het voorschrift werd overtreden. Ten aanzien van noodverordeningen zijn bestuurlijke boetes niet mogelijk – dat is immers niet bij wettelijk voorschrift bepaald. Op overtreding van een noodverordening is daarom alleen een last onder bestuursdwang of dwangsom mogelijk – en die vereisen, zoals gezegd, een begunstigingstermijn. Het is daarom in dit geval lang niet altijd sneller om op deze wijze op te treden – en vandaar dat veel strafrechtelijk wordt gehandhaafd op de noodverordeningen.

Strafrechtelijk optreden gaat via art. 433 Wetboek van Strafrecht. In deze bepaling is onder meer het overtreden van een noodverordening strafbaar gesteld. Dit is een overtreding – de maximumstraf bedraagt daarom hechtenis of een geldboete van de tweede categorie. Dat is dezelfde maximumstraf die de gemeenteraad kan stellen op een bij verordening strafbaar gestelde gedraging via art. 154 Gemeentewet. Het voordeel is wel dat de politie en BOA’s vrij eenvoudig boetes kunnen uitschrijven.

De Wet Publieke Gezondheid

Ook al ging het in deze bijdrage vooral over noodverordeningen moet ook deze wet worden benoemd, aangezien deze voor de coronacrisis in het bijzonder belangrijk is. De Minister van Medische Zorg en Sport heeft namelijk COVID-19 aangewezen als een infectieziekte van groep A – daarvan zijn er overigens maar 5. Met die aanwijzing heeft de Minister het gezag en de leiding over de bestrijding van COVID-19, en kan hij op grond van de WPG aanwijzingen geven aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s. Bovendien kent de WPG een aantal vrij ingrijpende bevoegdheden toe aan de voorzitters van veiligheidsregio’s wanneer een infectieziekte behoort tot groep A – zo kan hij bevelen dat een individu wordt geïsoleerd in een ziekenhuis en kan hij quarantainemaatregelen nemen of een beroepsverbod uitvaardigen. Ook kent de wet een binnentredingsbevoegdheid van elke plaats, dus met inbegrip van de eigen woning, voor zover dat redelijkerwijs nodig is en eventueel na het tonen van identificatie. Het is daarom ook in deze bijlage van belang om te realiseren dat de voorzitter van de veiligheidsregio en de burgemeester aanzienlijk meer bevoegdheden hebben dan enkel die in de wet op de veiligheidsregio’s en de gemeentewet staan. De wet voorziet overigens ook apart en op verschillende manieren in rechtsbescherming voor de burger, aangezien het zeer ingrijpende maatregelen betreft. Het voert wat ver om dat hier allemaal uiteen te zetten, maar men kan dit vinden in artt. 39-46 Wet Publieke Gezondheid.

Wat mag wel, wat mag niet?

Aangezien de noodverordeningen allemaal hetzelfde model volgen en nagenoeg identiek zijn, zal ik volstaan met de volgende opmerkingen.

-Vergunningsplichtige evenementen zijn verboden tot 1 juni 2020. Verder zijn alle samenkomsten in beginsel verboden, tenzij het bijvoorbeeld een wettelijk verplichte vergadering is, een uitvaart/huwelijk of een kerkelijke bijeenkomst (voor zover daarbij niet meer dan 30 personen aanwezig zijn). Bovendien geldt onverkort de eis van 1,5 meter afstand.
-Er geldt een algemeen samenscholingsverbod voor groepen van 3 of meer personen tenzij er ten minste 1,5 meter afstand wordt gehouden, tenzij de personen een gezamenlijke huishouding zijn vormen of er sprake is van kinderen beneden de 12 jaar met ouderlijk toezicht.
-een groot aantal inrichtingen zoals eetgelegenheden, sportgelegenheden en casino’s zijn verplicht gesloten. Ook zijn contactberoepen met uitzondering van zorgberoepen allemaal verboden.
-de voorzitter van de veiligheidsregio kan gebiedsverboden uitvaardigen – het betreden daarvan is verboden.
-de voorzitter van de veiligheidsregio kan maatregelen treffen ter beperking van het openbaar vervoer
-het is verboden om onderwijsactiviteiten te verrichten, tenzij deze bijvoorbeeld online worden aangeboden, het tentamens betreft voor zover er de nodige maatregelen zijn getroffen, of het kinderen betreft van ouders met vitale beroepen. Bovendien is de kinderopvang verplicht gesloten.
-het is personen die niet noodzakelijk zijn voor de zorg verboden om zorginstellingen te betreden, tenzij het bijvoorbeeld naasten betreft van iemand die in de stervensfase verkeert.

Een belangrijke vraag is met name hoe ver het samenscholingsverbod gaat. Daarbij is het van belang om het onderscheid te beseffen tussen samenscholing en een verboden samenkomst. Samenkomsten zoals feestjes zijn waar dan ook verboden. Ter handhaving daarvan mag elke plaats worden betreden. Samenscholing, daarentegen, betreft slechts de openbare ruimte. Laatst was bijvoorbeeld in het nieuws dat studenten vrezen dat ze niet samen mogen ontbijten – dat is onzin. Agenten missen in dat geval de bevoegdheid om op te treden, aangezien dat geen samenkomst is. Studenten hebben dan ook niks te vrezen, zo lang zij maar geen coronafeestjes in hun studentenhuis organiseren.